4 October 2024
/
Superjan
/
17 Comments
Door: Jan Bennink
Een korte niet ter zake doende inleiding.
Ik zie er misschien niet zo uit, maar ben erg makkelijk te raken.
Op zich fijn als je dichter bent. Dat je al van streek raakt van een
dode hommel op een herfstblad. Maar aan de andere kant komt alles
keihard bij me binnen. Een bestoft armpje, dat zich bewegingsloos
uitstrekt vanonder het puin. Een soldaat die vergeefs probeert te
vluchten voor een zoemend speelgoedje met een handgranaat eraan. Een
vrolijk muziekje eronder.
Alle ellende die ik iedere dag zie, al die wreedheid en
onverschilligheid in deze vieze wereld, met als poisoned cherry on top,
het avontuur met Ari, het heeft me even in een vicieuze cirkel gestort
van hyperventilatie, benauwdheid, paniek en slapeloosheid. Vandaar dat
ik even alles afsla. Alle uitnodigingen, hoe lief en eervol ook. Zelfs
met een nieuw boek op komst. Dan weten jullie dat.
Maar ik moet daar ook weer uit. Schrijven helpt.
Ophouden met zeuren ook.
Het was een lome avond, april 1988. Ik stond met mijn zware Ibanez
Musician basgitaar in de aanslag op een podium op het Spui in Amsterdam.
Onze 20.000 Watts denderden over de halve stad, dwars door de stegen,
over de grachten en de trapgevels. Honderdduizenden oren moeten vaag
hebben geregistreerd dat "Up Side Down Margherita" haar sound checkte
voor de volgende dag.
Drie overheerlijke zangeressen, een blazerssectie, aangevuld met de
saxofonist van de Hermes House Band -een jongen met een dubbele naam en
een wapperende blonde lok voor zijn ogen- speelden de sterren van de
hemel. Onze "Proud Mary" moet te horen zijn geweest tot in de gedoogzone
achter Centraal Station, waar prominente PvdA'ers bij nacht en ontij
troost zochten bij de meisjes op zoek naar een volgende fix.
Het was bijna Koninginnedag en vergunningen waren een soort wc papier.
Overal was het feest. Op de eindeloze stoet bootjes, van wankele
dopjes, tot zeewaardige slagschepen en vervaarlijk uitlaatgassen
opborrelende landingsvaartuigen, op alle hoekjes, achter alle open ramen
met bungelende benen.
De punkers op de stoep bij Vrankrijk, in de Spuistraat snauwden boos
hun teksten boven kromme gitaren die klonken als schuurpapier. Wij, de
studenten, stonden een stukje verderop, zingend, stoeiend en kliekend,
knarsend door de Duralex diamantjes, in afwachting van de M.E. die
traditiegetrouw, het plein kwam vegen om 2 uur 's nachts. De normies en
provincialen in knorrig Oranje op het Damrak en het Leidseplein, hossend
in een walm van verbrand hamburgervlees met verzuurde pindasaus. De
vertederende kindjes in hun mooiste jurkjes. Met hun viooltjes en
fluitjes en een omgekeerd hoedje in het Vondelpark. En Beatrix werd
uitgelaten op de Prinsengracht. Ze kreeg een klapzoen en iedereen hield
van haar.
Regels bestonden niet.
Iedereen piste in de gracht.
En alles ging goed.
Amsterdam was dronken van geluk, terwijl Femke Halsema nog ijverig
bezig was haar lerarenopleiding te verknoeien, veilig, ver weg in
Utrecht.
Het waren andere tijden.
Amsterdammers, dachten niet zwart of wit of zwartwit ook al wilden ze
ons dat zo graag aansmeren na de moord op Kerwin Duinmeijer. Wij waren
niet bezig met gender, woke, duurzaamheid, het klimaat of Pride Month,
maar met vrij zijn, blij zijn, met verdriet, geluk en kalverliefde. En
als die niet werd beantwoord, verzopen we, ik tenminste, onze laatste
gulden, samen met de trannies in de Last Waterhole. Of we zegen zwijgend
neer naast Ramses Shaffy, ladderzat op de Berensluis.
Arme Ramses. Wat hielden je vrienden toch veel van je, toen je
eenmaal dood was. Maar wat was je vaak alleen. Net als Andre Hazes.
Eenzame ziel, backstage, onbereikbaar zittend op zijn kratje bier, als
een drenkeling op een onbewoond eiland. Maar eenmaal dood toch zo
geliefd.