De fatale vlucht:
(1) Motoren 3 en 4 breken af
(2) Motoren 3 en 4 komen neer
(3) Piloot geeft eerste "Mayday"
(4) Piloot meldt brand in motor 3
(5) Piloot meldt problemen met de flaps
(6) Toestel raakt volledig onbestuurbaar
(7) Toestel stort neer
Boven
het Gooimeer klonken enkele harde knallen. Motor 3 (de binnenste motor
aan de rechtervleugel van het vliegtuig) brak af, beschadigde de
vleugelkleppen
en botste tegen motor 4 (de buitenste motor aan de rechtervleugel) die
vervolgens ook afbrak. Opvarenden van enkele plezierjachten die
opschrokken van de knallen, meldden de Kustwacht dat zij twee objecten
naar beneden zagen vallen.
Gezagvoerder Fuchs gaf een Mayday-bericht
door aan de verkeersleiding en meldde terug te willen keren naar
Schiphol. Enkele minuten later meldde de piloot dat motor 3 in brand
stond en vervolgens: "El Al 1862 lost number 3 and number 4 engine".
De ernst van de situatie werd op Schiphol niet goed ingezien. Dit kwam onder meer doordat lost
in de luchtvaart de gebruikelijke term is om het verlies van
motorvermogen te melden. Op Schiphol werd er dan ook van uitgegaan dat
er twee motoren waren uitgevallen. Dat ze letterlijk verloren waren wist
men niet. Gezien het grote aantal handelingen dat de bemanning in een
paar minuten moest uitvoeren en de keuzes die de piloot maakte,
veronderstelde de parlementaire enquêtecommissie
die de ramp later zou onderzoeken dat ook de bemanning waarschijnlijk
niet heeft geweten dat beide motoren van de rechtervleugel waren
afgebroken. De buitenste motor van een 747 is namelijk vanuit de cockpit
slechts met moeite zichtbaar en de binnenste motor helemaal niet. Beide
motoren werden later inclusief de montageconstructie en grote delen van
de beschermkappen en de straalomkering uit het Gooimeer gevist.
Noodlanding
In eerste instantie vroeg de piloot,
volgens een gepubliceerde transcriptie, aan de verkeersleiding welke
baan beschikbaar was voor een noodlanding. De luchtverkeersleiding op
Schiphol antwoordde dat landingsbaan 06 (de Kaagbaan
in noordoostelijke richting) gebruikt kon worden. De piloot verzocht
daarop echter een noodlanding te mogen maken op baan 27 (de Buitenveldertbaan in westelijke richting).[4]
Waarom hij juist deze baan koos is onduidelijk. Een keuze voor deze
baan lag niet direct voor de hand; omdat de wind uit het noordoosten
kwam, zou het toestel met flinke staartwind moeten landen. Later werd
gesuggereerd dat de bemanning hiervoor had gekozen, omdat bij deze baan
de loods van El Al was gevestigd, maar het is ook mogelijk dat baan 27
werd gekozen omdat dit de baan was die het dichtstbijzijnde was vanaf de
positie waar het vliegtuig zich bevond.
Na de ramp schreef toenmalig premier Wim Kok
dat er voor El Al-vliegtuigen andere landings- en startbanenprocedures
worden toegepast. Hierover werden geen publieke mededelingen gedaan.
Oud-Volkskrant-journalist Pierre Heijboer schreef in zijn boek Doemvlucht: De verzwegen geheimen van de Bijlmerramp,
dat dit wel eens zou kunnen verklaren waarom de piloot zijn Boeing
tegen de aanwijzing van de verkeersleiding in naar de ongunstige baan 27
stuurde.[5]
Om goed uit te komen voor de landingsbaan vloog het beschadigde
toestel eerst nog een rondje boven Amsterdam. Tijdens dit rondje gaf de
gezagvoerder de copiloot opdracht de vleugelkleppen (flaps)
uit te schuiven. Links schoven de kleppen uit, maar doordat de
afgebroken motor 3 de rechtervleugel had beschadigd, schoven de kleppen
op die vleugel niet uit. Als gevolg hiervan kreeg het toestel links meer
draagvermogen dan rechts. De piloot meldde aan de verkeersleiding dat
er ook problemen met de vleugelkleppen waren.
Aanvankelijk
ging het aanvliegen van de Buitenveldertbaan goed. Op het moment dat
het vliegtuig daalde tot onder de 1500 voet
en snelheid minderde, raakte het echter compleet onbestuurbaar en
maakte het een ongecontroleerde, scherpe bocht naar rechts. Over de
radio was te horen dat de gezagvoerder zijn copiloot in het Hebreeuws
opdracht gaf om alle kleppen in te trekken en het landingsgestel uit te
klappen. Vervolgens meldde de copiloot in het Engels aan de
luchtverkeersleider
dat het toestel zou gaan neerstorten. Uit later onderzoek bleek dat het
vliegtuig eerder enkel recht bleef vanwege de hoge snelheid (280
knopen,
zijnde 519 km/u). Doordat de rechtervleugel beschadigd was, was het
moeilijker om het vliegtuig recht te houden. Alleen de hoge snelheid
zorgde ervoor dat er nog voldoende draagvermogen
was. Toen bij het inzetten van de landing de snelheid verlaagd werd,
werd het draagvermogen van de rechtervleugel echter dusdanig gering dat
het toestel niet meer onder controle te houden was en een duikvlucht
naar rechts maakte.
Ongeluk
Vermoedelijke situatie op het moment van neerstorten
Om
18.35 uur boorde het vliegtuig zich vrijwel verticaal vliegend met
de rechtervleugel naar beneden door twee flatgebouwen in de
Bijlmermeer, precies op het hoekpunt waar de galerijflat
Groeneveen overging in Klein-Kruitberg. De gebouwen vlogen direct in
brand en stortten gedeeltelijk in, waarbij ongeveer honderd
appartementen vernield werden. De cockpit kwam oostelijk van de flats
terecht, tussen de gebouwen en de Bijlmerdreefmetrobrug van metrolijn
53.
Tijdens de laatste seconden van de vlucht deed de verkeersleiding
voor aankomende vluchten verwoede pogingen om met het toestel in
contact te komen. Om 18.35:45 uur meldde de luchtverkeersleiding in de verkeerstoren echter: Het is gebeurd.
Op dat moment was vanaf de verkeerstoren op Schiphol een grote rookwolk
boven Amsterdam zichtbaar. De arrival-verkeersleiders zitten niet in de
toren maar in een gesloten gebouw op Schiphol-Oost. Zij zagen alleen
het radarbeeld en niet de rookwolk. Na dit bericht gaf de verkeersleider
door, dat hij het contact verloor op 1 mijl ten westen van Weesp.
Meteen werden crashtenders richting Weesp gedirigeerd.
Op het moment van het neerstorten waren twee politieagenten in de
buurt een inbraakmelding aan het natrekken en zagen het toestel
neerstorten. Zij sloegen daarop onmiddellijk groot alarm. Kort na de
inslag kwamen de eerste brandweer- en reddingsploegen aan op de
rampplek. Ziekenhuizen in de omgeving werden gealarmeerd om honderden
gewonden te kunnen opnemen. Aanvankelijk werd voor de levens van
honderden personen gevreesd. Vooral omdat de flats ook bewoond werden
door illegaal in Nederland verblijvende mensen, waren betrouwbare
schattingen van het aantal slachtoffers de eerste avond moeilijk te
geven.
In de getroffen flats zaten meerdere mensen vast. Volgens een
ooggetuige sprongen sommigen vanaf de zevende verdieping naar beneden.
In de uren erna constateerde de politie dat er plunderingen
plaatsvonden. Er werd ingebroken in de ontruimde woningen binnen de
omgeving van de rampplek en in het restant van de flatgebouwen
Groeneveen en Klein-Kruitberg. De politie constateerde dat er tv's en
magnetrons werden meegenomen en had moeite om ramptoeristen, ook van
buiten Amsterdam, tegen te houden.
Oorzaak ongeval
Onderzoek
wees uit dat een van de 14 cm lange veiligheidspennen die de motor
verbinden met de vleugel was geknapt, waarna de drie andere de kracht
niet langer konden dragen. Deze veiligheidspennen zijn ontworpen om bij
extreem grote belastingen te breken zodat de vleugelstructuur niet
beschadigd raakt. De grote vraag was of de pennen nu ook waren
afgebroken. De pen was echter onvindbaar. Omdat grote delen van het puin
van de flats en het vliegtuig naar de vuilnisbelt waren gebracht werd
er opdracht gegeven om daar te zoeken. De pen werd daar uiteindelijk
gevonden. Nader onderzoek van motor 3 wees uit dat de pen inderdaad was
afgebroken. In de pen van motor 3 werd een 4 mm lang haarscheurtje
ontdekt, ontstaan door metaalmoeheid.
Hierdoor was de pen eerst aan één kant afgebroken, waardoor de druk op
de andere kant van de pen te groot werd en hij daar ook afbrak. Normaal
gesproken zou de motor recht omlaag vallen, maar in dit geval viel de
motor ook naar buiten toe waardoor hij motor 4 meenam in zijn val en de
rechtervleugel beschadigde.[8] Naar aanleiding van de ramp zag Boeing
zich genoodzaakt de veiligheidspennen van alle toestellen van dit type
te vervangen.
Berging
In
de vroege ochtend van 5 oktober begonnen de bergingswerkzaamheden onder
leiding van de brandweer Amsterdam. Door de woningbouwvereniging en de
gemeentelijke dienst Bouw en Woningtoezicht werd eerst op gevaar voor
instorting gecontroleerd en werden loshangende betonplaten verwijderd.
Sortering
Al
het afval werd in eerste instantie afgevoerd naar een tijdelijke opslag
op het bouwterrein Gulden Kruis, enkele honderden meters van de
rampplek. Het puinafval ging vervolgens naar het bedrijf VBS en de
vervuilde grond naar de TOP/Noodstort. Vliegtuigdelen gingen voor het
onderzoek naar de oorzaak door Bureau Vooronderzoek (BVO) naar Hangar 8 op Schiphol-Oost.[9]
Het Vlaamse dagblad De Standaard
schreef op 31 maart 1998, dat volgens een anonieme journalist 24 uur na
de ramp wrakstukken zouden zijn afgevoerd in blauwe vrachtwagens zonder
opschrift. Veiligheidsmensen met een donker uiterlijk die Engels
spraken met een vreemde tongval hielden nieuwsgierigen op afstand. Twee
vrachtwagens gingen niet naar Schiphol, maar gingen volgens een
journalist die de wagens volgde de andere kant op, nadat ze waren
gecamoufleerd middels rollen met reclameteksten. Ze waren voorzien van
Duitse waarschuwingstekens. De journalist zou anoniem willen zijn
gebleven uit vrees "een kogel van de Mossad tussen mijn ogen te krijgen."[10]
Al het afval werd afgevoerd naar de stortlocatie Nauerna te
Zaandam. Begin 1993 werden de wrakstukken in containers buiten de hangar
opgeslagen en eind 1993 aan de verzekeraar overgedragen. Deze verkocht
ze in 1995 door aan een schrootverwerker in België. Verarmd uranium dat
tussen de wrakstukken en later ook in Hangar 8 en bij TOP/Noodstort werd
gevonden, werd vervoerd naar de COVRA.[9]
Cockpitvoicerecorder en flightdatarecorder
'Een Fairchild A100' CVR, zoals aan boord zou hebben gezeten
Ieder
verkeersvliegtuig heeft zowel een cockpitvoicerecorder (CVR) als een
flightdatarecorder
(FDR) aan boord. De flightdatarecorder met de vluchtgegevens van de EI
Al 1862 werd enkele dagen na de crash ernstig beschadigd teruggevonden
tussen de verzamelde resten in Hangar 8.
De tape was op vier plaatsen gebroken en beschadigd. Met name de
laatste 2,5 minuten waren aangetast. Desondanks konden de gegevens
worden uitgelezen, nadat het voor onderzoek naar de National Transport
Safety Board in de VS was gestuurd.,p. 23 Onderzoek naar de gegevens
van de FDR had eerder in Engeland geen resultaat opgeleverd.
De
media werd vroeg op de ochtend na de crash verboden om
luchtopnamen te maken. De onderzoekers maakten pas luchtopnamen toen er
al heel wat vrachtladingen met wrakstukken waren afgevoerd. Het
staartdeel met een stuk van de romp, waar beide 'zwarte dozen' in moeten
hebben gezeten, waren in het gras voor de flat terechtgekomen en waren
ook al afgevoerd. Omdat beide recorders pal naast elkaar zaten, is het
onwaarschijnlijk dat ze bij de crash ver uit elkaar zijn gevallen.Volgens Henk Pruis van de luchtvaartinspectie is het onwaarschijnlijk
dat de FDR bij het neerstorten niet is weggeslingerd en de CVR wel.
De flightdatarecorder werd pas na drie dagen in een bak met
wrakstukken van de staart gevonden. Het wekte achterdocht, dat er later
vijvers in de buurt werden leeggepompt om naar de CVR te zoeken,
aangezien deze een radiosignaal afgeeft zodra hij in contact met water
komt.
Op 7 november werd door de politie een poster verspreid, waarin een
beloning van tienduizend gulden werd uitgeloofd voor hulp bij het
opsporen van de recorder. Er stond een verkeerd model op de poster
afgebeeld.
Volgens het eindrapport van de Raad voor de Luchtvaart
van 24 februari 1994 was het toestel uitgerust met een 'Fairchild'
Cockpit Voice Recorder van het model A-100. El Al verklaarde dat er een
CVR in het betreffende toestel was geïnstalleerd. Deze was evenwel niet
tussen de wrakstukken teruggevonden.[4],p. 23
Het rapport vermeldt dat er serieus rekening mee moet worden gehouden
dat de CVR, net als diverse andere zaken, uit het gebied was gestolen.
Op 10 januari 1999 schreef El Al aan de enquêtecommissie dat er een CVR
in het betreffende toestel was geïnstalleerd, met opgave van de
apparaatgegevens.
De
brandweerman J.A. Vervoort verklaarde op 28 januari 1999 voor
de enquêtecommissie, dat hij er zeker van was dat hij daags na de crash
de CVR in handen had gehad en in een verzamelcontainer gegooid. Deze was
wel van kleur veranderd, maar niet erg beschadigd. Toen hij hier op 11
november 1992 melding van maakte bij de Rijksluchtvaartdienst (RLD),
daags nadat op tv een afbeelding van de vermiste CVR was getoond,[16]
werd daar niet enthousiast op gereageerd en werd gesuggereerd dat hij
in plaats daarvan de FDR moest hebben gezien. Hij kreeg daarop van de
RLD slechte fotokopieën van een ander apparaat toegestuurd. Op een foto
die journalist Vincent Dekker hem liet zien herkende hij wel het
apparaat. Onderhoudsmonteur van El Al, C.M.D. Gaalman verklaarde op 4 februari
voor de enquêtecommissie dat hij voorafgaand aan de vlucht had gezien
dat de CVR in het toestel aanwezig was. Hij vond het zeer vreemd dat de
voicerecorder nooit is gevonden, want hij zat naast de flightrecorder,
die wel was gevonden.
Op alle stortlokaties van de wrakstukken is door medewerkers van Bureau
Vooronderzoek (BVO) en de RLD naar de CVR gezocht, om uit te sluiten
dat deze per ongeluk werd afgevoerd.
In het actualiteitenprogramma NOVA van 1 november 1994 speculeerde voormalig Mossad-agent
Victor Ostrovsky dat het neergestorte toestel zo goed als zeker geen
CVR aan boord had. Hij beweerde dat deze standaard uit de El
Al-vliegtuigen worden gehaald als er militaire lading wordt vervoerd of
voor de Israëlische geheime dienst Mossad wordt gevlogen.
Het verwijderen hiervan duurt nog geen minuut. Twee maanden eerder had
Ostrovsky beweerd dat de CVR door agenten van de Mossad uit de puinhopen
in de Bijlmer was gestolen. Volgens directeur Mendes de Leon van het Leidse instituut voor lucht- en ruimterecht
is Israël een van de weinige landen die de internationale verplichting
niet hebben ondertekend om zo'n voicerecorder altijd aan boord te
hebben.
Mannen in witte pakken
Volgens verklaringen van twaalf ooggetuigen tegenover de Rijksrecherche
waren er al binnen een kwartier zes tot tien personen bij het nog fel
brandende wrak, in pakken met een soort helm, waarmee ze door het vuur
konden lopen. Een omwonende verklaarde dat al acht minuten na de crash
een wit bestelbusje heen en weer reed met mannen in witte pakken die
door het vuur konden lopen. Een omwonende verklaarde dat ze niet bezig
waren met blussen of hulpverlenen, maar iets voor zichzelf deden. Een
ambulance-medewerker sprak van enkele mannen in aluminiumkleurige
pakken, zo'n kwartier na de crash, die "beslist geen mensen van het Rode
Kruis, het Sigma-team of de GG en GD waren."
Een
brandweerman verklaarde dat het terrein met puin en de
wrakstukken was afgezet en dat de brandweer daar niet mocht komen.
Ongeveer 4 uur na de crash zagen ze daar mannen met sterke zaklantaarns
tussen de wrakdelen zoeken. Een rampbestrijder verklaarde dat ze de
volgende ochtend rond tien uur werden weggestuurd, waarna "een man of
zes in een soort ruimtepakken" tussen de wrakdelen aan het zoeken waren
en een zwaar voorwerp onder een doek wegdroegen. Ook brandweermannen
hadden het over "dragers van een 'soort ruimtepakken'". Advocaat Bob
van der Goen,
die de belangen van tachtig Bijlmer-slachtoffers behartigde, beschikte
over vijftien onder ede afgelegde ooggetuigenverklaringen.[10] Getuigen
zeiden dat 'mannen in witte pakken' in een helikopter werden aangevoerd
en er ook weer in vertrokken. Uit onderzoek van het Algemeen Dagblad
bleek dat alle radargegevens van die nacht door de Lucht
Verkeersbeveiliging (LVB) op Schiphol waren vernietigd. Ook de militaire
Air Traffic Control in Nieuw-Milligen bleek alle radarberichten van de
avond van de ramp gewist te hebben.
Rond vijf uur op de ochtend na de crash zag een bewoner met
uitzicht op de rampplek, dat er een twintigtal mensen in witte pakken de
resten van de jumbo doorzochten. Ze liepen, volgens zijn verklaring,
voortdurend met brokstukken te sjouwen. Een agent die de wacht hield
vertelde hem dat het Israëli's waren. "Ze werkten zichtbaar met grote
haast en in de loop van de ochtend zijn ze al weer vertrokken."
Een
in april 1998 uitgelekt rapport van de Rijksrecherche
vermeldt, dat een aantal politiefunctionarissen hadden verklaard dat een
zestal Engels-sprekende mannen "direct na de Bijlmerramp [hebben]
rondgesnuffeld op het rampterrein." Zwaaiend met pasjes hadden zij zich
bij de politie aangediend als Israëlische geheim agenten en eisten
toegang tot het rampterrein. Toen hen dat werd geweigerd, probeerden zij
met geweld de centrale commandowagen van de politie binnen te dringen.
Het Leidsch Dagblad
schreef: "Het is onduidelijk of de geheim agenten zo snel ter plaatse
waren om de (verdwenen) zwarte doos te bemachtigen, een deel van de
lading te ontvreemden of een mogelijke bomaanslag te onderzoeken.[22] De
zes waren in burger en dus niet de "mysterieuze mannen in witte
pakken"; dat waren volgens het rapport medewerkers van het SIGMA-team
geweest. Hoofdofficier Vrakking bevestigde in de aanbiedingsbrief, dat
er "een handvol mensen is gesignaleerd die zeiden van de Israëlische
geheime dienst te zijn". Mobilofoongesprekken van de politie zouden dit
bevestigen.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken maakte in september 1998 bekend, dat de Israëlische veiligheidsdienst Shin Bet
ten tijde van de ramp zestig geheim agenten in Nederland had
gestationeerd, voornamelijk ter beveiliging van El Al-vluchten. Dat
aantal zou later nog zijn uitgebreid tot tachtig. Hun aanwezigheid is
vastgelegd in een geheim protocol.
Een buurtbewoonster verklaarde dat zij drie dagen na de crash had
gezien dat een stuk of vier keurig geklede heren met laarzen, die een
vreemde taal spraken, in een luxe auto met vlaggetjes erop speciaal naar
het terrein kwamen om een gevonden brandweer-rood, langwerpig metalen
voorwerp op te halen. Diezelfde avond werd op de televisie gemeld dat de
FDR in de loods was gevonden, niet op het rampterrein.
In
het boek "Going down, going down: De ware toedracht van de Bijlmerramp"
speculeert Trouw-journalist Vincent Dekker dat de El Al-Boeing een
geheime militaire lading had die na de ramp door Mossad-agenten
in veiligheid was gebracht. De restanten van de militaire lading en het
verarmd uranium dat als contragewicht in de staart van het vliegtuig
was aangebracht zou door 'mannen in witte pakken' zijn afgevoerd.
In oktober 1997 werden Kamervragen gesteld door Theo Meijer (CDA). Minister Els Borst
kwam een half jaar later met het antwoord dat uit niets bleek dat er
een relatie was tussen de geheimzinnige mannen in witte pakken en de
gezondheidsklachten.[23] Naar aanleiding van het Kamerdebat op 2 april 1998 gaf de fungerend hoofdofficier de Rijksrecherche
opdracht het onderzoek voort te zetten. Het doel van het onderzoek werd
nu als volgt omschreven: "(a) Het gegeven of er mannen in speciale
beschermende kleding op de plaats van de ramp zijn geweest. (b) Het
gegeven of er Israëlische functionarissen ter plaatse zijn geweest. (c)
De heimelijkheid waarmee de lading van het verongelukte vliegtuig is
omgeven en mogelijke discrepanties van gegevens uit dit onderzoek met
reeds eerder verrichte onderzoeken daarnaar"
Naar aanleiding van deze bevindingen en een Kamerdebat dat
plaatsvond nadat de resultaten bekend waren gemaakt, kreeg de
Rijksrecherche opdracht om het onderzoek te vervolgen. Verschillende
vervolgonderzoeken vonden plaats, maar de onduidelijkheid kon niet
weggenomen worden. De "mannen in witte pakken" kregen veel aandacht in
de parlementaire enquête. De commissie concludeerde uiteindelijk dat een
groot deel van de getuigenverklaringen terug te voeren waren op
reddingswerkers met lichte kleding. De commissie kon echter niet alle
waarnemingen verklaren. Ook concludeerde de commissie dat het
waarschijnlijk was dat er bewijsmateriaal was verdwenen.
Eind augustus 2009 werd door de gemeente Amsterdam bekendgemaakt dat in april van dat jaar een medewerker van de gemeentelijke Dienst Milieu en Bouwtoezicht
had gemeld dat hij en een collega kort na de ramp bij de flats waren
geweest om metingen te verrichten. Zij zouden hierbij witte
wegwerpoveralls hebben gedragen. Met deze verklaring is het mysterie
echter nog niet opgelost, omdat er sprake zou zijn geweest van
tientallen mannen in astronautachtige uitrusting en de aanwezigheid van
diverse mensen met overalls al bekend was.
Verarmd uranium
Op
woensdag 7 oktober werden tussen de wrakstukken twee licht geblakerde
staven van verarmd uranium van ieder 45 kilo gevonden, waarvan één
doormidden was gebroken. Zulke staven werden vanwege hun zeer hoog
soortelijk gewicht in verkeersvliegtuigen vaak gebruikt als
balansgewicht.
De ambtenaren van VROM werden daarvan op de hoogte gebracht, maar de
ambtelijke top werd pas een jaar later, in september 1993
geïnformeerd. In dezelfde maand bracht stichting LAKA
naar buiten dat er uranium aanwezig was. Op de stortplaats
Top/Noodstort werd nog een stuk staaf gevonden. De onderzoekscommissie
van de raad voor de Luchtvaart besloot in in het voorjaar van 1993 om
een passage omtrent de vondst en de zoektocht naar het verarmde uranium
in het concepteindrapport op te nemen. In januari 1994 werd, na
aandringen van de deelraad Amsterdam-Zuidoost, in het wrakafval bij
Hangar 8 nog eens 48 kilo gevonden.
Bij het verslepen van een staaf werd Hangar 8 door een vonkenregen
mogelijk met verarmd uranium 'besmet', hetgeen pas 3 jaar later werd
ontdekt.
De balansgewichten van verarmd uranium zoals toegepast in de
Boeing 747 tussen 1968 en 1983 werden ingebouwd tot en met serienummer
551. De gewichten waren voorzien van een nikkel-cadmium-beschermlaag,
die contact van het onbeschermde verarmde uranium met de buitenlucht
voorkomt om de vorming van uraniumoxide te voorkomen. Deze beschermlaag
heeft een smeltpunt van 1453 graden Celsius, dat ver boven de
temperaturen van een intense kerosinebrand ligt. Het smeltpunt van het
verarmde uranium zelf ligt op 1132 graden Celsius: dit ligt ook hoger
dan de maximumtemperaturen tijdens een kerosinebrand (1100 graden
Celsius is als limiet vastgesteld door internationale werkgroepen).
Het verarmd uranium kreeg vanaf 1993 veel aandacht in de Tweede
Kamer. Over de hoeveelheid was er veel verwarring. In de jaren erna
bleven de discussies voortduren. In het eindrapport van de enquêtecommissie van april 1999 werd daarover vastgesteld:
"Boeing en KLM hebben berekend dat het ramptoestel in totaal 282
kilo verarmd uranium bevatte. Hiervan is 130 kilo teruggevonden. Twee
staven van ieder 45 kilo worden in de eerste dagen na de ramp gevonden.
Bij het reinigen van vervuilde grond uit de Bijlmermeer wordt in 1993
bij Top/Noodstort nog een stukje van ongeveer 3 kilo gevonden. Begin
1994 wordt in de wrakdelen bij Hangar 8 nog een staaf gevonden van 37
kilo. In totaal is dan 130 kilo teruggevonden. Er is nu dus nog 152 kilo
kwijt."
De Parlementaire Enquete Commissie achtte het evenwel op basis van
deskundigenverklaringen mogelijk dat een deel van de 150 kilo verarmd
uranium is geoxideerd (verbrand) en dat een deel daarvan of alles is
verspreid. Deze aanname was het 'worst-case'-scenario in afwezigheid van
enig bewijs dat het verarmde uranium was verbrand. In 1999 werd er een
kleine hoeveelheid uraniumoxide
in Hangar 8 gevonden, alhoewel er nooit bewezen kon worden dat de
straling samenhing met de EL AL luchtvaartramp. Voor wat betreft het
stof in Hangar 8 kon niet vastgesteld worden of dat er een relatie was
met het ongeval in de Bijlmer of met de ramp in de kerncentrale
Tsjernobyl. De commissie concludeerde dat er geen sprake is van
verhoogde concentraties verarmd uranium in de Bijlmermeer.
Discussie over de lading
Op de derde persconferentie op 7 oktober 1992 verklaarde minister Hanja Maij-Weggen
van Verkeer en Waterstaat, dat er in het toestel geen gevaarlijke
stoffen hadden gezeten en dat de lading bestond uit parfum en bloemen.
In september 1993 doken in de media voor het eerst verhalen op
dat de lading van de El-Al Boeing gevaarlijke stoffen bevatte. Een deel
van de onderdelen bleek defensiemateriaal te zijn. Ook bleek dat zeker
een derde van de lading niet gecontroleerd was en dat zelfs de
vrachtbrieven van deze lading niet waren gecontroleerd.
Het
actualiteitenprogramma NOVA vroeg in de uitzending van 1 november 1994
nieuwe minister Annemarie Jorritsma van Verkeer en Waterstaat om inzage
in de boeken van de Economische Controledienst.
Volgens haar voorgangster Maij-Weggen zou de ECD het ramptoestel voor
vertrek op Schiphol hebben gecontroleerd en toen geen verboden lading
hebben ontdekt. Jorritsma gaf NOVA geen inzage in de boeken, maar
stuurde plotseling een brief naar de Tweede Kamer, waarin zij schreef
dat Maij-Weggen een foutje had gemaakt. De ECD blijkt de lading niet vooraf te hebben geïnspecteerd, maar slechts achteraf aan de hand van ladinglijsten van El Al.
Het aantal vragen over de lading nam verder toe, vooral ook omdat
er zich steeds meer mensen meldden met gezondheidsklachten.
Aanvankelijk ging de discussie vooral over de vraag of de El-Al Boeing
mogelijk meer lading bevatte dan toegestaan was (overbelading). Minister
Jorritsma stuurde een overzicht van de lading naar de Tweede Kamer. In
de televisie-uitzending van NOVA van 12 september 1996 werd echter
gesproken over verschillen tussen deze documenten en die welke in het
bezit van NOVA waren. De volgende dag schreef Jorritsma "dat er twijfels
bestaan rond enkele vrachtbrieven die zij op 28 augustus 1996 naar de
Tweede Kamer heeft gestuurd". Zij verklaarde later tegenover de
Enquêtecommissie dat ze in grote haast naar de Kamer waren gestuurd en
op zich al redelijk onleesbaar zijn, maar dat er achteraf geen
verschillen waren geconstateerd.
De minister betuigde achteraf spijt dat zij de informatie zonder
grondige screening naar de Tweede Kamer had gestuurd. Vier jaar na de
ramp stelde zij in een brief aan de Kamer "dat er nog geen volledige
duidelijkheid is over het bestaan van verschillende versies van de
(vracht)brieven". Het zou gaan om administratieve omissies, waarover El
Al - en ook de Raad voor de Luchtvaart - helderheid moet verschaffen.
Aangifte tegen El Al
El
Al-operation manager J. Plettenberg, die op Schiphol de supervisie had
over het laden en lossen van het toestel, had gemerkt dat er
verschillende versies van de vrachtbrieven in omloop waren terwijl
andere documenten, waaronder de vrachtgegevens van New York, ontbraken.
In NOVA verklaarde Plettenberg in 1996 dat El Al vermoedelijk een
overtreding heeft begaan met de vrachtdocumenten van het verongelukte
vliegtuig. Na deze onthulling werd hij bij El Al ontslagen. In juli 1996
deed Plettenberg aangifte tegen El Al van verduistering van
vrachtdocumenten en valsheid in geschrifte.
De
Rijksverkeersinspectie concludeerde in september 1996 dat de
onderzochte documenten niet met elkaar corresponderen. De Dienst
Luchtvaartpolitie
(LVP) constateerde naar aanleiding van de aangifte, dat er geen
verschillen waren tussen de dossiers over de documenten en dat er nog
steeds niets is gebleken van een strafbaar feit. Het OM
stuurde het proces-verbaal van 25 november 1996 omtrent de aangifte
door naar de RLD en de RvdL en overwoog geen vervolging in te stellen en
geen nader onderzoek te doen wegens gebrek aan uitzicht op
bewijsmateriaal en gebrek aan politiecapaciteit. De LVP rondde het
onderzoek af met een pv van 30 april 1997 en het OM eind juli.
Naar aanleiding van een uitzending van NOVA op 4 oktober en een interpellatie
in de Tweede Kamer op 8 oktober werd op 17 oktober 1997 bij het OM een
verzoek gedaan tot heropening van het strafrechtelijk onderzoek. Dit na
berichten over een dubbele boekhouding van El Al op de luchthaven
Keulen-Bonn. Heropening werd afgewezen omdat de namen van de Duitse
klokkenluiders wegens bronbescherming niet werden prijsgegeven.
Diplomatieke actie in 1997 en 1998
In
oktober 1997 trachtte de minister van Buitenlandse Zaken via de
Israëlische ambassade meer vrachtdocumenten te achterhalen. Om meer
helderheid te krijgen over de wijze waarop de diverse uitgevoerde
onderzoeken met betrekking tot de lading waren uitgevoerd en hoe de
betrokken instanties daarbij hadden geopereerd werd in februari 1998 de Commissie Informatiestroom Luchtvrachtdocumentatie oftewel de Commissie-Hoekstra opgezet.[38]
Op
21 april 1998 was er overleg tussen de Nederlandse minister
van V&W Jorritsma en de Israëlische minister van Transport Shaul
Yahalom, die in Nederland op bezoek was. Door Jorritsma werd een lijst
overhandigd met een overzicht van dat gedeelte van de lading waarover
geen detailinformatie beschikbaar is. Dit betrof een kwart van het
bruto-ladinggewicht ter grootte van circa 29.000 kg. Het zou
niet-gevaarlijke stoffen betreffen. De nog altijd ontbrekende documenten
betroffen volgens Israël uitdrukkelijk geen "geheimzinnige" lading.
Volgens Yahalom werd niets geheimzinnigs vervoerd en hadden ze niets te
verbergen.
De informatie die vervolgens werd nagezonden bleek voornamelijk reeds
bekende documenten te bevatten en slechts in beperkte mate nieuwe
detailinformatie. In haar eindrapport van 15 juli 1998 concludeerde de
Commissie Hoekstra dat de overheidsdiensten "inconsistent" hadden
gehandeld bij het verzamelen van de vrachtbrieven en dat van twintig ton
lading niet achterhaald kon worden waaruit deze bestond. Op de
vrachtbrieven ontbrak het gewicht van de pallets, de containers en het
stuw- en opbouwmateriaal. Van circa 34 ton aan goederen ontbrak
detailinformatie.
Het onderzoek naar de documenten over de lading had inmiddels
geleid tot diplomatieke spanningen tussen Nederland en Israël. Op 7
december 1998 gaf de Israëlische ambassadeur Gal te kennen, dat El Al
bij nog meer ongunstige berichtgeving wel eens zou kunnen besluiten
Schiphol in te ruilen voor een ander Europees vliegveld.
Verder onderzoek
Kopie van de NOTOC met gevaarlijke stoffen aan boord, zoals afgebeeld in het eindrapport van de enquêtecommissie
In
opdracht van de parlementaire enquêtecommissie publiceerde bureau DHV
in februari 1999 een second opinion over het RIVM-onderzoek naar de
lading.[40]
DHV wist documenten betreffende 14 ton van de nog ontbrekende 34 ton te
achterhalen. Deze zou hebben bestaan uit ruim 12 ton "diverse goederen"
en 1,5 ton aan electronica. "Diverse goederen" werd niet gespecificeerd
en de informatie geeft geen uitsluitsel over gevaarlijkheid.
Volgens de NOTOC – de notification to the captain met alle
informatie over de gevaarlijke lading aan boord – die de
enquêtecommissie in 1999 in handen kreeg zou er aan gevaarlijke stoffen
165 liter aroma-extract plus ruim 23 ton aan cosmetica zijn geweest (zie
afbeelding). Op grond van de ladingpapieren schatten het RIVM en de RLD
dat er 10 ton aan gevaarlijke lading inclusief ruim 7 ton cosmetica
was. Volgens de ladingpapieren was er slechts 3362 kg aan gevaarlijke
stoffen aan boord inclusief 61 kg cosmetica.[41]
De NOTOC vermeldde ruim 16 ton meer aan cosmetica dan de
schatting volgens de ladingpapieren. DHV veronderstelde, dat op de NOTOC
de werkelijke hoeveelheid per ongeluk drie maal was meegeteld. DHV
constateerde dat de NOTOC ook 16 ton meer van de gevaarlijke stof nafta
vermeldde, dan de 900 kg die de vrachtbrieven aangaven. DHV weet ook
dit aan een administratief foutje. DHV concludeert in het rapport dat
nog steeds 20 ton van de lading zoek is.
Op 16 en 17 februari 1999 bezochten Yarkoni van de Israëlische Civil Aviation Administration
(Rijksluchtvaartdienst) en ambassadeur Gal opnieuw de enquêtecommissie
en gaven nogmaals tegenover de commissie aan dat de lading geen
gevaarlijke stoffen bevatte en alleen "general cargo" behelste.
De twintig ton lading bestond volgens een pakket 'house airwaybills'
dat de volgende maand door een Israëlische delegatie werd overhandigd
voornamelijk uit electronica, onderdelen en apparatuur. Op basis hiervan
concludeerde de enquêtecommissie dat deze had bestaan uit "general
cargo" en geen gevaarlijke stoffen bevatte.
De
ECD beschikte in 1998 al over drie versies van de vrachtbrief.
De eerste vrachtbrieven vermeldden dat het alleen een lading voor
taxfree-winkels
betrof. Op een na de crash gevonden exemplaar stond 'militairy goods'
aangegeven. De Israëlische krant Yedioth Achronoth wist te melden dat er
in New York Sidewinderraketten waren ingeladen en brandweerlieden
hadden tussen de brokstukken ritsen patroonhulzen gevonden.
Onthullingen over de lading
Nog
op de dag dat een parlementaire enquête werd voorgesteld, onthulde de
NRC dat het toestel ook 190 liter oftewel 240 kilo DMMP aan boord had,
goed voor de productie van 270 kilo sarin. Het is een van de vier
essentiële grondstoffen voor het zenuwgas sarin.
Sarin is een dual-use-product.
Volgens strijdgasdeskundigen was 190 liter voor een onderzoeksinstituut
een ongewoon grote bestelling. Het jaarverbruik van sarin voor
wetenschappelijk onderzoek is zelden hoger dan enige honderden grammen,
in een enkel geval enige kilogrammen. Eerder hadden al meerdere
leveringen van DMMP aan het Israëlisch Instituut voor Biologisch Onderzoek
(IIBR) plaatsgevonden. Het was verpakt in minstens tien plastic
vaatjes. Op de vrachtdocumenten die de Nederlandse autoriteiten hadden
gekregen werd dat deel van de lading omschreven als "brandbare vloeistof".
Deze lading was bestemd voor Israël's voornaamste staatsinstelling voor
onderzoek naar de werking van gifgassen, het IIBR.
Een dag na de onthulling gaf El Al toe dat een chemische stof werd
vervoerd die wordt gebruikt voor de productie van het zenuwgas. De
Israëlische regering verklaarde dat deze stof niet giftig is, de 190
liter DMMP bedoeld was voor het testen van filters tegen chemische
wapens en volgens de internationale regelgeving op de vrachtbrief was
aangegeven. Internationaal wordt aangenomen dat het IIBR een faciliteit
is voor de productie van chemische en biologische wapens en tegengif
tegen zulke wapens.
Extra vrachtvluchten El Al
In
april 1998 werd bekend dat El Al daags na de ramp hals over kop met
minstens drie vrachtvluchten goederen van Schiphol naar Tel Aviv had
laten afvoeren. Minstens één extra vlucht vertrok op de ochtend na de
ramp, waartoe op de zondagavond ervoor pas was besloten. Een toestel met
bestemming Amsterdam werd doorgestuurd naar Israël, waarbij op Schiphol
nog 'enige' lading werd opgepikt. Hoewel de officiële onderzoekers naar
de ramp het recht hadden de El Al-loods te doorzoeken, hadden zij dit
(nog) niet gedaan. De extra vrachtvluchten wekten de indruk dat El Al
voor de zekerheid de goederen liet afvoeren.
Gezondheidsklachten
Om
psychische schade te beperken werd door de GG&GD in samenwerking
met het RIAGG nazorg verleend aan de getroffen buurtbewoners en
hulpverleners.
Na ongeveer een jaar meldden zich echter steeds meer bewoners en
hulpverleners bij artsen met lichamelijke klachten. Veel mensen legden
een verband met de Bijlmerramp. Veel gehoorde lichamelijke klachten
waren slapeloosheid, chronische luchtweginfecties, pijnen, impotentie en
maag- en darmklachten.
In oktober 1993 werd door de Stichting Laka bekendgemaakt dat het vliegtuig verarmd uranium
als balansgewicht vervoerde, iets wat in vliegtuigen niet
ongebruikelijk is. De Stichting Laka baseerde haar bevinding op het
concepteindrapport van de Raad voor de Luchtvaart, die in het voorjaar
van 1993 besloot om in het eindrapport openheid te verschaffen omtrent
de vondst van het weinig risicovolle verarmde uranium. Dit
concepteindrapport zou behandeld worden op de openbare zitting van de
Raad voor de Luchtvaart op 14 en 15 september in het Congrescentrum in
Den Haag. Het Kamerlid Rob van Gijzel (PvdA)
stelde hierop vragen aan minister Jorritsma van Verkeer &
Waterstaat. De minister antwoordde dat op de avond van de ramp
verondersteld mocht worden dat er geen relatie was tussen
gezondheidsrisico's en de lading. Hierop stelde Rob van Gijzel dezelfde
vragen aan minister Borst (Volksgezondheid). Minister Borst antwoordde
dat "geen extreem giftige, zeer gevaarlijke of radioactieve stoffen" aan
boord waren.
In 1994 werd voor het eerst gesproken over een groot medisch
onderzoek onder de overlevenden en de hulpverleners, maar deskundigen
achtten het onwaarschijnlijk dat de diversiteit van medische klachten
veroorzaakt zou kunnen zijn door de Bijlmerramp. De GG&GD besloot
daarop geen medisch onderzoek uit te voeren.
Maar
hiermee was de speculatie over een relatie tussen de
gezondheidsklachten en de ramp niet over. In 1996 stelde Tara Singh
Varma (GroenLinks)
vragen aan minister Borst over de gezondheidsklachten. Opnieuw
antwoordde de minister dat er geen reden was om aan te nemen dat de
Bijlmerramp tot gezondheidsklachten bij de overlevenden heeft geleid.
Een uitspraak in het parlement van Israël, de Knesset,
in 1997 deed veel stof opwaaien. Een deskundige verklaarde in het
Israëlische parlement dat bij de verbranding van uranium in de Boeing
zeer gevaarlijke stoffen waren vrijgekomen, die een gevaar voor de
volksgezondheid waren. Deze uitspraak leidde tot nieuwe Kamervragen,
maar de betrokken ministers zagen geen aanleiding hun standpunt uit 1996
te wijzigen.
Op 12 september 1997 verschenen in Trouw rapporten van de
Amerikaanse overheid, waarin stond dat verarmd uranium al vanaf 500
graden in stofdeeltjes uit elkaar valt, veel lager dan waar altijd van
uitgegaan was.
Naar aanleiding van Kamervragen van Rob van Gijzel over deze
onthulling, zegde de minister van Volksgezondheid een inventariserend
onderzoek toe naar de gezondheidsklachten. Dit onderzoek liep echter al
voor de start vertraging op.
Een
onderzoek door het Zweedse Biospectron in opdracht van
Stichting Visie, naar de ontlasting van 15 bij de ramp betrokken
hulpverleners en bewoners leverde zorgwekkende signalen op over hoge
doses uranium bij verscheidene slachtoffers. Stichting Visie riep op tot
verder specifiek gericht, individueel onderzoek. Toxicoloog
Frederik de Wolff van de Universiteit Leiden
adviseerde de Stichting de resultaten niet naar buiten te brengen,
omdat de toegepaste methode om uranium te ontdekken niet valide was. Desondanks veroorzaakte de onthulling weer politieke ophef.
Medisch onderzoek AMC
In
mei 1998 startte het eerste medische onderzoek naar de gevolgen van de
Bijlmerramp, uitgevoerd door het AMC. Dit onderzoek werd met
vragenlijsten afgenomen. De eerste conclusies waren dat er gevallen van
auto-immuunziekten
waargenomen waren. Geadviseerd werd het bloed van bepaalde patiënten
nader te onderzoeken. De minister volgde dit advies niet op, omdat zij
het onwaarschijnlijk achtte dat deze waarnemingen een direct verband
hadden met de Bijlmerramp. Het onderzoek van het AMC ging intussen
verder en in januari 1999 maakte het AMC bekend dat er mogelijk zestien
gevallen van auto-immuunziekten gevonden waren waarbij een verband met
de Bijlmerramp kon worden gelegd. Later werden hier nog twee gevallen
aan toegevoegd.
De Gezondheidsinspectie stuurde naar aanleiding van deze
conclusie een brief naar alle huisartsen in Nederland, met het verzoek
extra alert te zijn op auto-immuunziekten, vooral wanneer de patiënt een
verband legde met de Bijlmerramp. In deze brief werd (naar later bleek
ten onrechte) gesproken over 28 gevallen van auto-immuunziekte die uit
het AMC-onderzoek waren gekomen.[49]
Het aantal gevallen van auto-immuunziekten met een mogelijk verband met
de Bijlmerramp werd in april 1999 vastgesteld op twaalf.
De minister van Volksgezondheid had inmiddels al toegezegd dat
iedereen die dat wilde zich medisch kon laten onderzoeken. Deze
toezegging kwam mede omdat de openbare verhoren van de parlementaire
enquêtecommissie voor nieuwe onrust zorgden.
Medisch onderzoek RIVM
Naast het AMC-onderzoek, deed ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
(RIVM) onderzoek naar de gezondheidsklachten en de relatie met de
Bijlmerramp. Het RIVM kwam tot de conclusie dat er weliswaar schadelijke
stoffen bij de brand waren vrijgekomen, maar dat de gezondheidsrisico's
klein waren. Het RIVM schatte het risico op 1 à 2 extra gevallen van kanker
per 10.000 blootgestelde mensen. Hoewel het RIVM het onwaarschijnlijk
achtte dat de Bijlmerramp op grote schaal tot gezondheidsproblemen heeft
geleid, sloot het RIVM niet uit dat er in individuele gevallen wel een
verband is. De kans op vergiftiging door uranium werd minimaal geacht.[50]
Volgens een stralingsdeskundige zouden de gezondheidsklachten van
omwonenden en hulpverleners niet zozeer zijn veroorzaakt door het
verarmde uranium uit het staartstuk van het vliegtuig en uit eventuele
militaire goederen, maar vooral door de cocktail van giftige stoffen –
waaronder cyanides, dioxines en allerlei metaaldampen – die bij de brand waren vrijgekomen.[34]
Medische ontwikkelingen vanaf 2000
De
belangenorganisatie SchipholWatch maakte in 2022 bekend dat er in de
Bijlmer nog veel giftige stoffen in de bodem en het grondwater zitten,
die mogelijk de medische klachten van bewoners kunnen verklaren.
Gebleken is dat de ramplocatie onder meer vergiftigd is door PFOS, dat
destijds waarschijnlijk in het brandblusschuim AFFF zat. Ook op Schiphol
zelf is PFOS in de grond aangetroffen.[51]
Grond- en stofmonsters
Op 1 oktober 1998 publiceerde Trouw
dat er uranium- en plutonium-gerelateerde stoffen in de bodem en de
hangar met de wrakstukken waren aangetroffen die niet op de
vrachtlijsten stonden vermeld. Er was veel tributylfosfaat
(TBP) aangetroffen, dat gebruikt wordt bij de terugwinning van uranium
en plutonium uit brandstofstaven van kerncentrales. TBP mag volgens de
IAEA-lijst niet in Israël worden toegepast.[52] Voorts vond men veel
zirkonium, dat voornamelijk in de nucleaire industrie wordt verwerkt,
bijvoorbeeld op uranium brandstofstaven. Er werd ook lanthaan en cerium
gevonden, dat gebruikt wordt voor munitie met kogelpunten van verarmd
uranium. Hoge concentraties aan TBP waren in 1993 al in Bijlmergrond
gevonden.
Diverse laboratoria vonden hoge concentraties uraniumstof in de
monsters. Op de rampplek werd tevens de blauwe munitie met verarmd
uranium gevonden, die gewoonlijk door Israël in de VS wordt besteld.
In 1995 hadden de Economische Controledienst, Binnenlandse Veiligheidsdienst en douane
al geconstateerd dat er via Schiphol een omvangrijke doorvoer van
wapens van en naar Israël bestaat. De commissie-Meijer ontdekte dat er
geheime afspraken tussen Nederland en Israël bestaan omtrent El
Al-vluchten.
Parlementaire enquête
Zie Parlementaire enquête naar de Bijlmerramp voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Omdat
in de media geruchten bleven gonzen over de achtergronden van de ramp,
besloot de Tweede Kamer
in april 1998 tot instelling van een werkgroep die alle gebeurtenissen
moest inventariseren rond de toedracht en afwikkeling van de ramp. Deze
werkgroep, onder leiding van CDA-Kamerlid Theo Meijer, adviseerde een
parlementaire enquete te houden om te proberen de openstaande vragen
beantwoord te krijgen. In oktober 1998 begon de parlementaire
enquêtecommissie.
Na enkele maanden voorbereiding begonnen de openbare verhoren op
27 januari 1999. In totaal werden negentig getuigen gehoord. De exacte
samenstelling van de lading, met name gevaarlijke stoffen, was een van
de speerpunten in de parlementaire enquête. In de tweede week van de
verhoren maakte de commissie bekend dat zij beschikte over bewijzen dat
de Luchtverkeersbeveiliging
(LVB) van het begin af aan had geweten dat de lading van het
ramptoestel giftige stoffen bevatte, maar dit op verzoek van El Al
verzwegen had.
Deze onthulling leidde tot grote politieke verontwaardiging en
verschillende topambtenaren werden op non-actief gesteld. Uit een op
tape vastgelegd gesprek tussen Schiphol en een functionaris van El Al
bleek dat al minuten na de crash, was gewaarschuwd voor de lading van
het vliegtuig. In een tweede gesprek anderhalf uur later, werd er op
aangedrongen om de exacte aard van de lading niet bekend te maken.
Na een moeizame speurtocht naar de documenten over de ontbrekende 34
ton, concludeert
de enquêtecommissie in par. 4.3.6 van haar eindrapport, dat er niet met
de lading gefraudeerd is. Zij wijt de geconstateerde verschillen aan
diverse fouten in de documenten.
Op 22 april 1999 presenteerde de commissie haar eindconclusies.
De enquêtecommissie was vernietigend over de informatievoorziening van
premier Wim Kok en vooral de vicepremiers Annemarie Jorritsma en Els Borst
aan de Tweede Kamer. Meerdere malen was de Tweede Kamer verkeerd
voorgelicht. Verder had de commissie kritiek op het gebrek aan
informatievoorziening van ambtenaren aan de verantwoordelijken, het
gebrek aan coördinatie en het doorschuiven van verantwoordelijkheden.
Ook vond de commissie dat de berging niet goed was verlopen en dat het
onderzoek van de Raad voor de Luchtvaart op bepaalde punten niet deugde.
Politieke nasleep
Het debat over het rapport van de enquêtecommissie in de Tweede Kamer eindigde voor veel mensen[bron?]
in een teleurstelling. Vooral overlevenden hadden hun hoop gevestigd op
de commissie en hoopten via de politiek hun gelijk te krijgen.
Vrijwel alle politieke partijen namen de belangrijkste en
politiek meest gevoelige conclusies van de enquêtecommissie niet over.
Alleen de SP,
het CDA en GroenLinks konden zich vinden in de aanbevelingen van de
enquêtecommissie. Bovendien vonden veel Kamerleden dat de commissie de
getuigen te veel als verdachten had behandeld. Wel kreeg de commissie
lof voor het boven tafel halen van de inhoud van het vrachtvliegtuig.
De
behandeling van het rapport werd vertraagd door de val van het kabinet
na het afwijzen van de referendumwet in de Eerste Kamer en de daarop
volgende lijmpoging. Ondanks de felle kritiek op hun functioneren haalde
een motie van wantrouwen tegen Kok, Jorritsma en Borst het niet. In
plaats daarvan kwamen de coalitiepartijen met de Motie Melkert,
genoemd naar de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA Ad Melkert,
waarin "de regering werd gevraagd lessen te trekken uit de
tekortkomingen bij de afhandeling van de Bijlmerramp". De paarse
partijen, uitgezonderd de PvdA-leden Rob van Gijzel
en Rob Oudkerk en D66-lid Augusteijn, verwierpen de motie van
wantrouwen en namen de motie Melkert aan. Commissielid Van den Doel
stemde tegen de conclusies van de enquêtecommissie.
Geheimhouding
De meeste stukken van het onderzoek van de RLD zijn nog altijd geheim tot minstens 2062.
Burgemeester Ed van Thijn
had in 1993 al de tergend lange duur van het RLD-onderzoek
bekritiseerd. RLD-directeur Henk Wolleswinkel verklaarde toen, dat een
dergelijk onderzoek volgens de wet nu eenmaal niet openbaar is. "Als in
de wet staat dat een onderzoeksrapport niet openbaar is, dan heeft de
wetgever een steek laten vallen."
Veel
details over de Bijlmerramp lagen volgens Rob van Gijzel
onder geheimhouding en nog meer bewijzen zijn vernietigd, allerlei
geluids- en filmopnames in de prullenbak gegooid. De geheimhouding op
veel documenten, die in 2022 zou aflopen, werd kort tevoren verlengd
zonder duidelijke reden. Op 13 april 2023 diende Kamerlid Pieter
Omtzigt een bijna Kamerbreed ondertekende motie in om de geheimhouding
deels op te heffen.
Het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding bood 6 juli
2023 aan de Tweede Kamer een Plan van Aanpak aan om te onderzoeken of
gedeeltelijke vrijgave mogelijk is, rekening houdend met onder meer de
openbaarheidsbeperking van het Verdrag inzake de internationale
burgerluchtvaart.[60]
Sinds 10 september 2024 is een deel van het archief openbaar
gemaakt.
Kritiek op onderzoek RLD
Trouw-journalist Vincent Dekker schreef een kritisch boek onder de titel Going down, Going down, de ware toedracht van de Bijlmerramp, over het onderzoek naar de Bijlmerramp. Daarin richt hij zijn pijlen met name op de Rijksluchtvaartdienst
(RLD), die in 1992-93 het onderzoek naar de oorzaak van de ramp leidde.
Dekker stelt daarin, dat de RLD de toedracht van de ramp van meet af
aan heeft willen verdoezelen. Dat de El Al-Boeing tijdens de fatale
vlucht twee motoren verloor was volgens hem niet de oorzaak van de ramp,
maar het feit dat het toestel met goedkeuring van de verkeersleiding
tot tweemaal toe een ronde boven Amsterdam vloog, in plaats van het
bevel te krijgen voor een noodlanding in het IJsselmeer. Volgens Dekker
is het onjuist dat de verkeersleiding daartoe niet de bevoegdheid had.
Volgens Dekker heeft de RLD bewust verzuimd aanbevelingen te doen
om de veiligheid van woonwijken in de toekomst te vergroten. Hij stelt
dat de economische belangen van Schiphol zwaarder wegen dan de risico's
voor omwonenden. Ook schrijft hij dat Wolleswinkel willens en wetens
heeft verzuimd suggesties te doen over het vervoer van chemicaliën door
de lucht, het vervangen van de Buitenveldertbaan en het weren van
uranium uit vliegtuigen. De RLD had de angst dat de waarheid over de
rampvlucht de groeiplannen van Schiphol zou vertragen. Dekker noemt het
ook opmerkelijk dat tal van mensen met wie hij beroepshalve sprak, door
hun superieuren een spreekverbod kregen opgelegd en dat hun verklaringen
niet in het RLD-rapport over de ramp zijn terug te vinden. Volgens De Groene
had de RLD eerder al gesjoemeld met cijfers rond de uitbreiding van
Schiphol en tijdens het eerste onderzoek naar de Bijlmerramp van alles
verzwegen, zoals de aanwezigheid van het verarmde uranium.
Dekker verweet de RLD ook hem in zijn journalistieke onderzoek
naar de Bijlmerramp te hebben willen schaden en zelfs te hebben
geïntimideerd.[62]
Wolleswinkel zei in 2017, 25 jaar na dato, daarentegen dat hij zelf
juist door de overheid was tegengewerkt. Er was afgesproken dat het
onderzoek conform de nieuwe Luchtvaartongevallenwet zou plaatsvinden,
waarbij hij zou worden aangestuurd door de Raad voor de Luchtvaart en niet door de minister. Minister Maij-Weggen
liep hem echter tegen de afspraken in voortdurend voor de voeten en gaf
hem in strijd met de wet politieke instructies, waardoor de
onafhankelijkheid van het onderzoek ernstig werd aangetast.
Persbijeenkomsten werden door Maij-Weggen geblokkeerd. Ze wilde niet dat
de RLD met een eigen verhaal naar buiten zou komen.
Wolleswinkel, in dienst van de RLD, deed onderzoek naar de rol bij de
ramp van de verkeersleiding en de luchtvaartinspectie die deel
uitmaakten van dezelfde organisatie.
Kritiek op boek van Dekker
In 2023 beschreef RLD-onderzoeker Henk Pruis in een aantal recensies van Dekkers boek Going Down, Going Down
dat hij het op grond van de feiten oneens was met de analyses van
Dekker. De FDR werd in hangar 8 gevonden, en niet in de Bijlmermeer. Uit
-onder anderen- de FDR gegevens bleek dat de motoren met stabiele N1
(toerental van de Fan), N2 (toerental lage druk compressor), EGT
(Exhaust Gas Temperature) en EPR (Engine Pressure Ratio) normaal
functioneerden tot het moment van afbreken. Er was dus geen sprake van
een zogenaamde stall.
Ook tekende hij bezwaar aan tegen Dekkers stelling dat een landing op
het IJsselmeer meer voor de hand had gelegen. Pruis schreef een aantal
zeer kritische recensies met betrekking tot de heruitgave van het boek Going down Going Down
in 2022 van journalist Vincent Dekker. Hij betoogt dat de auteur de
feiten onvoldoende kent en er onzorgvuldig en selectief mee omgaat. In
zijn ogen is het boek achterhaald en vertelt het niet het eerlijke
verhaal.
In 2023 stelden Pruis en de nabestaanden van Wolleswinkel hun persoonlijke archieven beschikbaar aan het Historisch Nieuwsblad,
dat in september 2024 een artikel en weerlegging van de belangrijkste
complottheorieën publiceerde. Pruis startte een website waarop
oorspronkelijke broninformatie met betrekking tot het
ongevallenonderzoek te vinden is.
Sloop flats
Anderhalve
maand na de ramp vergaderden bewoners van Groeneveen of hun flat moest
worden afgebroken of weer opgebouwd; zij kozen voor wederopbouw. Veel
bewoners trokken echter weg; een deel van hen keerde later alsnog terug.
Naderhand zijn er 161 Groeneveense appartementen gesloopt; 320
flatwoningen van Groeneveen zijn gespaard. Klein-Kruitberg is geheel
afgebroken. Het terrein van de voormalige flats ligt sindsdien braak en
is onderdeel geworden van het omliggende park.
Slachtoffers
In
de getroffen woningen stonden volgens het bevolkingsregister 239 mensen
ingeschreven. Omdat er op de avond na het neerstorten slechts enkele
tientallen gewonden naar ziekenhuizen in de omgeving waren overgebracht,
vreesde de brandweer dat het aantal doden enorm moest zijn.
De hulpverleners en bergers zochten in de berg smeulend puin naar
eventuele overlevenden en lichamen en lichaamsdelen van slachtoffers.
De identificatie van de slachtoffers was lastig. In eerste
instantie was er een lijst met 1.566 vermiste personen. Deze lijst was
zo lang omdat er mensen waren die misbruik van deze ramp maakten door
mensen valselijk als vermist op te geven, bijvoorbeeld wegens
betalingsverplichtingen van de 'vermiste'. Door de vele illegaliteit
bleken de meest juiste bronnen de postorderbedrijven en dierenartsen te
zijn.
Slachtoffercijfers
In
de dagen na de ramp steeg het aantal vermisten tot boven de 1.500.
Vanuit de overheid werd in eerste instantie rekening gehouden met een
dodental van boven de 200, vaak 250.
Later werd het aantal doden officieel vastgesteld op 43, wat voor een
ramp van deze omvang een klein aantal genoemd kon worden. Belangrijkste
redenen waren dat het vliegtuig slechts één passagier vervoerde en dat
veel mensen op het moment van de crash niet thuis waren. In totaal waren
er 26 gewonden. Elf daarvan moesten in een ziekenhuis worden opgenomen.
De parlementaire enquêtecommissie concludeerde in 1998 dat het gevonden
aantal lichamen overeenkwam met het aantal vermisten en dat er dus geen
redenen waren om te veronderstellen dat het werkelijke dodencijfer
hoger lag. Over het werkelijke aantal bleef evenwel twijfel bestaan, met
name vanwege gevonden lichaamsdelen die niet aan vermisten konden
worden gekoppeld. Ook is er een veronderstelling dat van een onbekend
aantal slachtoffers geen lichaamsdelen zijn gevonden, bijvoorbeeld omdat
de lichamen volledig zouden zijn verbrand. De Schotse patholoog A.
Busuttil schatte dat 10 tot 20 procent van de slachtoffers geheel zou
kunnen zijn verast.
Ook brandweerlieden gingen van deze mogelijkheid uit. Zij zagen nog
rechtopstaande flats met slaapkamers waarin alles van de aardbodem was
verdwenen, behalve nog maar een metalen frame, vermoedelijk van het bed.
Het
relatief lage slachtoffercijfer werd door sommigen verklaard doordat er
mogelijk veel illegaal verblijvende personen
in de flats woonden. Veel van hen waren mogelijk omgekomen of zouden
humanitaire hulp nodig hebben, zonder dat de buitenwereld het wist. Om
hierover duidelijkheid te krijgen hoeveel mensen zonder papieren ten
tijde van het ongeluk in de flats zouden hebben gewoond, riep de
overheid hen op zich te melden. Burgemeester Ed van Thijn besloot
vervolgens, in overleg met staatssecretaris Aad Kosto, dat illegalen die
de ramp hadden overleefd in aanmerking zouden komen voor een
verblijfsvergunning.
Zij zouden op de zogeheten Kosto-lijst komen. Hiervan werd echter
massaal misbruik gemaakt: binnen enkele weken beweerden 1797 personen
dat zij in Groeneveen of Klein-Kruitberg zouden hebben gewoond, terwijl
de meesten in feite elders woonden. Sommigen waren zelfs van buiten
Nederland (zoals Brussel)
naar Amsterdam gereisd om aanspraak te komen maken op de regeling. Na
een grondige screening kwamen er 91 mensen op de Kosto-lijst, waarvan er
uiteindelijk 55 een definitieve verblijfsvergunning kregen. De lijst
van vermisten is na systematisch onderzoek uiteindelijk gereduceerd van
bijna 1.600 naar 0.
Herdenking
'De boom die alles zag'.
Monument voor de Bijlmerramp door Hertzberger
De overlevenden en nabestaanden van de ramp richtten snel na de ramp
een herdenkingsplaats in rondom "de boom die alles zag", een boom op de
rampplek die de crash en de brand had overleefd. Rondom deze boom werden
waxinelichtjes
en foto's geplaatst. Al snel werd deze plek een belangrijke plaats voor
mensen die hun verdriet wilden verwerken. Later werd deze plaats wat
geïnstitutionaliseerd: door de architect Herman Hertzberger
werd er een soort galerij opgericht met teksten die betrekking hebben
op de ramp en met mozaïektegels die bewoners, overlevenden en
hulpverleners zelf hebben gemaakt onder leiding van Akelei Hertzberger,
de dochter van de architect. Door de gemeente Amsterdam
werd later een nieuw monument opgericht. Dit leidde tot woede onder
bewoners, omdat zij niet betrokken waren bij dit monument en zij zich er
niet in herkenden. Voor het beheer en onderhoud van het monument werd
de "Stichting Beheer Het Groeiend Monument" opgericht.
Ed
van Thijn, burgemeester van Amsterdam, tijdens de eerste herdenking van
de Bijlmerramp, een paar dagen na de crash, in de Bijlmermeer.
Jaarlijks vindt bij "de boom die alles zag" een herdenking van de
slachtoffers plaats. Tijdens deze herdenking vliegen er geen vliegtuigen
over de Bijlmer, normaal een drukke aanvliegroute voor Schiphol.
De regering besloot op initiatief van Van Gijzel (PvdA) tot het
oprichten van een financieel noodfonds (Hulpfonds Gedupeerden Vliegramp
Bijlmermeer) dat slachtoffers met ernstige psychosociale problemen een
eenmalige tegemoetkoming wilde geven.
Tv-series
- In 2022 werd de vijfdelige tv-docudramaserie Rampvlucht uitgezonden door de KRO-NCRV, het laatste deel exact 30 jaar na de Bijlmerramp. Rampvlucht combineert feiten over de Bijlmerramp met fictie.
- In januari 2023 werd de driedelige Israëlische documentaireserie Murky Skies uitgezonden door de VPRO op NPO 2: the Crash, the Cargo en The Cover-Up. Internationale coproductie van onder andere VPRO, ZDF en Arte. Regisseur: Noam Pinchas.
Zie ook
- Willem Symor
- Lijst van rampen in Nederland
Literatuur
- Theo Bean (red.), Een
gat in mijn hart: een boek gebaseerd op tekeningen en teksten van
kinderen na de vliegramp in de Bijlmermeer van 4 oktober 1992. Zwolle: Waanders, 1993.
- Vincent Dekker, Going Down, Going Down; De ware toedracht van de Bijlmerramp. 4de, geactualiseerde druk. Amsterdam: Pandora, 1999.
- Een Beladen Vlucht; Eindrapport Bijlmer enquête. 's-Gravenhage: Sdu Uitgevers, 1999.
- Pierre Heijboer, Doemvlucht; de verzwegen geheimen van de Bijlmerramp. Utrecht: Het Spectrum, 2002.
Referenties en noten
- Rik de Gier (nr 52/53 van 24 december 2022 t/m 6 januari 2023). Bijlmermeer ramp in breder beeld. VPRO gids
Bronnen
- Eindrapport Parlementaire enquête vliegramp Bijlmermeer. Complete webtekst, 22 apr 1999; doc.nr. kst-26241-9. Tekst + afb. in docplayer;
Inhoudsopgave tekst per hoofdstuk retro.nrc, 22 apr 1999; Gearchiveerd;
PDF
t/m gedeelte hoofdstuk 3.19 (p. 5-187, incl. afbeeldingen) (10,6 MB)
- Verslag verhoren 1 tot en met 39 (27 jan – 12 feb 1999) Deel 3A van het rapport "Een beladen vlucht"; Enquête vliegramp Bijlmermeer, KST33821_1. pdf , 2 MB
- Verslag verhoren 40 t/m 90 (17 feb – 12 maart 1999) Deel 3B van het rapport "Een beladen vlucht"; Enquête vliegramp Bijlmermeer, KST33821_2. pdf (3 MB)
Externe links
- Tabel uitzendingen NPO, 1992-93. Beeld&Geluid Wiki
- Pierre Heijboer analyseert: de parlementaire enquête over de Bijlmerramp. Index analyses enquête (gearchiveerd)
- De Bijlmerramp en de verzwegen feiten. Index achtergrondinfo/Klankbord (gearchiveerd)
- (en) Ongevalbeschrijving in de databank van het Aviation Safety Network
- "...en als het toch verbrand is..?" (april 1998) Stichting Laka over het verarmd uranium in het toestel
- Foto van het toestel
- Rapportage Nationaal Brandweer Documentatie Centrum
- Parlementaire stukken waarin dit onderwerp ter sprake komt.
- Pierre Heijboer, Doemvlucht; de verzwegen geheimen van de Bijlmerramp. Bevat zeer veel dossierstukken.
- Verslag van de Werkgroep Vliegverkeer Bijlmermeer over onder andere getuigenverslagen en het onderzoek naar de ramp, 12 okt 1993
- (en) Uranium pollution from the Amsterdam 1992 plane crash
- Interview met Ed van Thijn over de Bijlmerramp
- Website van de Stichting Beheer Het Groeiend Monument
- Bijlmerramp
- El Al Flight 1862 "Amsterdam Air Crash" op YouTube Opname en
transcriptie van de laatste 9 minuten van de gesprekken tussen Schiphol
en vlucht 1862
- '18:35 Bijlmerramp 25 jaar later' Documentaire van AT5
- De boom die alles zag - Blijvende pijn van de Bijlmerramp Documentaire Andere Tijden, 30 september 2017
Zie de categorie El Al Flight 1862 van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Categorieën:
- Amsterdam-Zuidoost
- Luchtvaartincident of vliegramp in Nederland
- Bijlmerramp
- Gebeurtenis in Amsterdam
- Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 8 dec 2024 om 02:06.
- De
tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons
Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van
toepassing zijn. Zie de gebruiksvoorwaarden voor meer informatie.
Wikipedia® is een geregistreerd handelsmerk van de Wikimedia Foundation, Inc., een organisatie zonder winstoogmerk.
(bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Bijlmerramp)