Patronen en cijfers
Een studie van de Universiteit van Amsterdam laat volgens Vrij Nederland
echter zien dat het patroon al decennia wel bestaat. Tussen 1945 en
2017 belandde bijna de helft van de oud-PvdA-Kamerleden in een nieuwe
bestuurlijke of politieke functie. Voor CDA'ers lag dat percentage op
59, voor VVD'ers zelfs op 67. Bovendien bleken de functies na een
Kamerlidmaatschap vaak zwaarder en invloedrijker te zijn, vooral bij
VVD'ers.
Dit wijst op een systematiek waarbij
politieke ervaring vooral voor leden van de grote partijen een
springplank vormt. Wie eenmaal deel uitmaakt van de gevestigde orde,
heeft een grotere kans op promotie dan op afrekening.
Vertrouwen van burgers
Voor veel burgers staat de baantjescarrousel symbool voor een politiek systeem dat niet voor hen werkt. Onderzoek
laat zien dat een meerderheid gelooft dat de grote partijen hun eigen
mensen bevoordelen bij topfuncties. Slechts een fractie van de
Nederlanders zegt nog vertrouwen te hebben in de landelijke politiek.
Dat wantrouwen vertaalt zich in harde
woorden. Burgers spreken over "poppenkast", "dramaverhaal" en "zooitje".
Opiniepeiler Gijs Rademaker noemde het vertrouwenscijfer van vier procent
in de politiek "ongekend". Het beeld dat ontstaat: politici zorgen voor
elkaar, terwijl de samenleving met hogere lasten en dalend vertrouwen
achterblijft.
Is de baantjescarrousel per se slecht?
Toch verdient de discussie meer nuance.
Een overheid heeft ervaren bestuurders nodig, en doorstroming kan ook
stabiliteit brengen. Het herplaatsen van bestuurders kan voorkomen dat
waardevolle kennis verloren gaat. Bovendien kan een brede politieke of
bestuurlijke achtergrond juist nuttig zijn in een nieuwe functie.
Het probleem zit daarom ook minder in de
doorstroom op zich, maar in de manier waarop deze plaatsvindt: vaak
achter gesloten deuren, met weinig transparantie, en zonder dat
prestaties of geschiktheid zichtbaar altijd even zwaar worden
meegewogen. Het ontbreken van open wervingsprocedures maakt dat burgers
de indruk krijgen dat het om vriendjespolitiek gaat, niet om kwaliteit.
Kunnen bestuurders zonder inhoudelijke kennis functioneren?
Een andere centrale vraag is of
bestuurders zonder specifieke inhoudelijke kennis een sector goed kunnen
leiden. Een minister van Volksgezondheid hoeft bijvoorbeeld geen arts
te zijn, en een minister van Defensie geen militair. Besturen draait om
visie, leiderschap en het organiseren van draagvlak. In die zin kan
iemand zonder inhoudelijke achtergrond toch effectief functioneren.
Tegelijkertijd kleven er risico's aan.
Zonder inhoudelijke kennis zijn bestuurders afhankelijk van hun
ambtenaren en adviseurs. Dat vergroot de kans dat zij zich verliezen in
beleidsjargon en bureaucratie of zich laten meeslepen door gevestigde
belangen. Ook kan het leiden tot besluiten die losstaan van de praktijk.
Burgers ervaren dat als wereldvreemd, wat het wantrouwen verder
versterkt. Helemaal in een tijd waarin steeds meer politici hardop
concluderen dat Nederland 'vast zit', is het de vraag of bestuurders
zonder inhoudelijke kennis genoeg slagkracht hebben om het verschil te
maken met alle grote en complexe uitdagingen die er zijn.
Een balans zoeken
De uitdaging ligt dus in het vinden van
een balans. Bestuurders moeten voldoende generalistische vaardigheden
hebben om in een nieuwe omgeving leiding te geven, maar ook voldoende
kennis of ervaring om inhoudelijke beslissingen en de gevolgen daarvan
te begrijpen. Transparantie bij benoemingen is daarbij cruciaal. Als
zichtbaar is waarom iemand geschikt wordt geacht, vermindert het
vermoeden van vriendjespolitiek.
Bovendien zou falen niet automatisch
beloond mogen worden met een nieuwe functie. Het publieke belang vraagt
om verantwoording: wie fouten maakt, moet eerst laten zien daarvan
geleerd te hebben voordat een volgende topfunctie in beeld komt.
Conclusie
De (schijn van) de baantjescarrousel in
Nederland lijkt op zijn minst een voedingsbodem te hebben en daarmee
tast dit het vertrouwen van burgers in de politiek zichtbaar aan. Toch
is het te simpel om de vermeende carrousel in zijn geheel af te wijzen.
Doorstroming kan nuttig zijn, mits transparant en gebaseerd op
geschiktheid.
Het probleem zit in de geslotenheid van
het systeem, in de voorspelbaarheid van de namen, en in het ontbreken
van echte afrekening bij falen. Zolang dit niet verandert, zal de
baantjescarrousel vooral symbool blijven staan voor een politiek die
zichzelf bedient, terwijl burgers aan de zijlijn toekijken.
Aan de andere kant zijn er ontzettend veel
kansen om het vertrouwen in het openbaar bestuur van Nederland te
herstellen. Dit vraagt moed en verantwoordelijkheid, maar dat is wel wat
nodig is om Nederland weer op de rit te krijgen.