Zaak
C-231/97 A. M. L. Van Rooij tegen Dagelijks bestuur van het waterschap
de Dommel (verzoek van de Nederlandse Raad van State om een prejudiciële
beslissing) "Milieu — Richtlijn 76/464/EEG — Begrip ,lozing' —
Mogelijkheid dat lidstaat ruimere definitie van begrip ,lozing' dan in
richtlijn vaststelt"
Conclusie
van advocaat-generaal A. Saggio van 25 februari 1999 I-6357 Arrest van
het Hof (Zesde kamer) van 29 september 1999 I-6368
Samenvatting
van het arrest Milieu — Waterverontreiniging — Richtlijn 76/464 —
Begrip "lozing" in zin van artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn —
Neerslaan van vervuild stoom op oppervlaktewater — Neerslaan op
terreinen en daken (Richtlijn 76/464 van de Raad, art. 1, lid 2, sub d)
Het
begrip "lozing" in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464
betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke
stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd,
dient aldus te worden uitgelegd, dat de emissie van verontreinigde stoom
die op oppervlaktewater neerslaat, daaronder valt. De afstand tussen
het oppervlaktewater en de plaats van uitstoot van de verontreinigde
stoom is slechts relevant om te beoordelen of het uitgesloten dient te
worden geacht dat de verontreiniging van het water volgens de algemene
ervaringsregels als voorzienbaar kan worden beschouwd, en dus om te
beletten dat deze verontreiniging wordt toegeschreven aan de veroorzaker
van de stoom.
Dit
begrip dient aldus te worden uitgelegd, dat de emissie van
verontreinigde stoom die eerst neerslaat op terreinen en daken en
vervolgens via een hemelwaterriool in het oppervlaktewater terechtkomt,
daaronder valt. Wat dit betreft, is het niet van belang of het
desbetreffende hemelwaterriool aan de betrokken inrichting dan wel aan
een derde toebehoort.