Exodus 7:1–12:51
7 Toen zei Jehovah tegen Mozes: 'Ik heb je als God gemaakt* voor de farao, en je eigen broer Aäron zal je profeet worden.a
2 Je
moet alles herhalen wat ik je opdraag. Je broer Aäron zal het woord
voeren bij de farao, en de farao zal de Israëlieten uit zijn land laten
vertrekken.
3 Maar ik zal toelaten dat de farao* koppig wordt,b en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen doen.c
4 Omdat de farao niet naar jullie zal luisteren, zal ik Egypte de macht van mijn hand tonen. Ik zal mijn grote menigte,* mijn volk, de Israëlieten, wegleiden uit Egypte, dat ik zwaar zal straffen.d
5 En de Egyptenaren zullen beslist weten dat ik Jehovahe ben wanneer ik mijn hand naar Egypte uitstrek en de Israëlieten uit hun midden wegleid.'
6 Mozes en Aäron deden wat Jehovah hun had opgedragen. Precies zo deden ze het.
7 Mozes was 80 jaar en Aäron 83 jaar toen ze tot de farao spraken.f
8 Jehovah zei tegen Mozes en Aäron:
9 'Als
de farao tegen jullie zegt: "Doe een wonder", moet je tegen Aäron
zeggen: "Pak je staf en gooi die voor de farao op de grond." De staf zal
dan een grote slang worden.'g
10 Mozes
en Aäron gingen dus naar de farao en deden precies wat Jehovah had
geboden. Aäron gooide zijn staf voor de farao en zijn dienaren op de
grond en de staf werd een grote slang.
11 Daarop liet de farao de wijzen en de tovenaars komen, en de magiërs van Egypteh deden met hun toverkunsten hetzelfde.i
12 Elk van hen gooide zijn staf op de grond en het werden grote slangen. Maar Aärons staf verslond die van hen.
13 Toch weigerde de farao* koppigj naar hen te luisteren, zoals Jehovah had gezegd.
14 Jehovah zei tegen Mozes: 'Het hart van de farao is ongevoeligk en hij weigert het volk te laten gaan.
15 Ga
morgenochtend naar de farao toe, wanneer hij naar de Nijl gaat. Wacht
aan de oever van de rivier op hem, met in je hand de staf die in een
slang veranderde.l
16 Zeg tegen hem: "Jehovah, de God van de Hebreeën, heeft me naar u toe gestuurdm met de boodschap: 'Laat mijn volk gaan om mij in de woestijn te aanbidden.'* Maar tot nu toe hebt u niet geluisterd.
17 Dit zegt Jehovah: 'Hierdoor zul je weten dat ik Jehovah ben.n Ik sla met de staf die in mijn hand is, op het water van de Nijl, en het zal in bloed veranderen.
18 De
vissen in de Nijl zullen doodgaan en de rivier zal stinken, en de
Egyptenaren zullen geen water uit de Nijl meer kunnen drinken.'"'
19 Toen zei Jehovah tegen Mozes: 'Zeg tegen Aäron: "Steek de staf die je in je hand hebt uit over het water van Egypte,o van de rivieren, de kanalen,* de moerassenp en de hele watervoorraad,* zodat ze bloed worden." Er zal bloed zijn in heel Egypte, zelfs in de houten en de stenen bakken.'
20 Onmiddellijk
deden Mozes en Aäron wat Jehovah hun had opgedragen. Aäron hief de staf
op en sloeg er voor de ogen van de farao en zijn dienaren mee op het
water van de Nijl, en al het water in de rivier veranderde in bloed.q
21 De vissen in de rivier gingen doodr en de rivier begon te stinken. De Egyptenaren konden geen water meer uit de Nijl drinkens en overal in Egypte was bloed.
22 Maar de magiërs van Egypte deden met hun geheime toverkunsten hetzelfde,t zodat de farao* koppig bleef. Hij luisterde niet naar hen, zoals Jehovah had gezegd.u
23 De farao ging terug naar zijn huis en ook deze keer trok hij zich er niets van aan.*
24 Ondertussen groeven alle Egyptenaren in de omgeving van de Nijl naar drinkwater, want ze konden geen water uit de Nijl drinken.
25 Er gingen zeven volle dagen voorbij nadat Jehovah de Nijl had getroffen.
8 Toen zei Jehovah tegen Mozes: 'Ga naar de farao en zeg tegen hem: "Dit zegt Jehovah: 'Laat mijn volk gaan om mij te aanbidden.*v
2 Als je blijft weigeren ze te laten gaan, straf ik je hele gebied met een kikkerplaag.w
3 De
Nijl zal wemelen van de kikkers. Ze zullen uit de rivier komen en
binnendringen in je huis, in je slaapkamer en in je bed, in de huizen
van je dienaren en bij je volk, in je ovens en in je baktroggen.*x
4 De kikkers zullen over jou, je volk en al je dienaren komen.'"'
5 Later
zei Jehovah tegen Mozes: 'Zeg tegen Aäron: "Steek de staf die je in je
hand hebt uit over de rivieren, de Nijlkanalen en de moerassen, en laat
de kikkers over Egypte komen."'
6 Aäron strekte zijn hand uit over het water van Egypte, en de kikkers kwamen tevoorschijn en bedekten het hele land.
7 Maar de magiërs deden met hun geheime toverkunsten hetzelfde: ook zij lieten kikkers over Egypte komen.y
8 Toen liet de farao Mozes en Aäron halen en zei: 'Smeek Jehovah dat hij mij en mijn volk van de kikkers verlost,z want ik wil het volk laten gaan zodat ze slachtoffers kunnen brengen aan Jehovah.'
9 Mozes
antwoordde: 'Aan u is de eer om te bepalen wanneer ik moet smeken of u,
uw dienaren, uw volk en uw huizen van de kikkers verlost mogen worden.
Alleen in de Nijl zullen nog kikkers overblijven.'
10 'Morgen',
zei de farao. 'Het zal gebeuren zoals u hebt gezegd,' zei Mozes, 'zodat
u zult weten dat er niemand anders is zoals Jehovah, onze God.a
11 De
kikkers zullen uit uw huizen verdwijnen, zodat u, uw dienaren en uw
volk ervan bevrijd zijn. Er zullen alleen nog kikkers overblijven in de
Nijl.'b
12 Mozes
en Aäron gingen bij de farao weg, en Mozes smeekte Jehovah om een eind
te maken aan de kikkerplaag waarmee Hij de farao getroffen had.c
13 Jehovah deed wat Mozes vroeg, en de kikkers in de huizen, op de binnenplaatsen en op de velden gingen dood.
14 Ze werden overal op hopen gelegd en het land begon te stinken.
15 Zodra de farao zag dat de plaag voorbij was, verhardde hij zijn hart.d Zoals Jehovah had gezegd, weigerde hij naar hen te luisteren.
16 Jehovah
zei tegen Mozes: 'Zeg tegen Aäron: "Steek je staf uit en sla ermee op
de grond. Dan zal in heel Egypte het stof veranderen in muggen."'
17 En
zo gebeurde het: Aäron stak de staf uit die hij in zijn hand had en
sloeg op de grond, waarna er muggen verschenen die op mens en dier
gingen zitten. Al het stof op de grond in heel Egypte veranderde in
muggen.e
18 De magiërs probeerden met hun geheime toverkunstenf
hetzelfde te doen en muggen tevoorschijn te laten komen, maar dat lukte
niet. Alle mensen en dieren kwamen onder de muggen te zitten.
19 De magiërs zeiden tegen de farao: 'Het is de vinger van God!'g Maar de farao* bleef koppig, en hij luisterde niet naar hen, zoals Jehovah had gezegd.
20 Toen
zei Jehovah tegen Mozes: 'Morgenvroeg zal de farao naar het water gaan.
Wacht hem daar op en zeg tegen hem: "Dit heeft Jehovah gezegd: 'Laat
mijn volk gaan om mij te aanbidden.
21 Maar
als je mijn volk niet laat gaan, stuur ik steekvliegen af op jou, je
dienaren, je volk en je huizen. De huizen van alle Egyptenaren zullen
vergeven zijn van de steekvliegen, en zelfs de grond waarop ze* staan, zal ermee bedekt zijn.
22 Op die dag zal ik de streek Go̱sen, waar mijn volk woont, afgescheiden houden: daar zullen geen steekvliegen zijn.h Zo zul je weten dat ik, Jehovah, hier in het land aanwezig ben.i
23 En ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en jouw volk. Morgen zal dit wonder* gebeuren.'"'
24 Jehovah
deed wat hij had gezegd: dichte zwermen steekvliegen drongen het huis
van de farao, de huizen van zijn dienaren en heel Egypte binnen.j De steekvliegen waren een ramp voor het land.k
25 Uiteindelijk liet de farao Mozes en Aäron roepen en hij zei: 'Ga slachtoffers aan jullie God brengen, maar blijf in het land.'
26 'Dat
zou niet juist zijn,' antwoordde Mozes, 'want wat we aan Jehovah, onze
God, zouden offeren, zou voor de Egyptenaren iets walgelijks zijn.l Als we voor de ogen van de Egyptenaren zo'n slachtoffer zouden brengen, zouden ze ons zeker stenigen!
27 We
zullen drie dagreizen ver de woestijn in trekken en daar zullen we
slachtoffers brengen aan Jehovah, onze God, zoals hij ons heeft gezegd.'m
28 De
farao zei: 'Ik zal jullie laten gaan om in de woestijn slachtoffers te
brengen aan Jehovah, jullie God. Ga alleen niet te ver weg. En bid voor
mij.'n
29 Toen
zei Mozes: 'Goed, ik ga bij u weg, en ik zal tot Jehovah bidden. Morgen
zullen de farao, zijn dienaren en zijn volk verlost zijn van de
steekvliegen. Maar de farao moet ons niet opnieuw bedriegen* door te weigeren het volk te laten gaan om slachtoffers aan Jehovah te brengen.'o
30 Daarna ging Mozes bij de farao weg en bad tot Jehovah.p
31 Jehovah deed wat Mozes vroeg, en de steekvliegen verdwenen bij de farao, zijn dienaren en zijn volk. Niet één bleef er over.
32 Maar opnieuw verhardde de farao zijn hart en hij liet het volk niet gaan.
9 Toen
zei Jehovah tegen Mozes: 'Ga naar de farao en zeg tegen hem: "Dit heeft
Jehovah, de God van de Hebreeën, gezegd: 'Laat mijn volk gaan om mij te
aanbidden.*q
2 Als je blijft weigeren hen te laten gaan en je hen nog langer vasthoudt,
3 zal Jehovah zijn handr opheffen tegen je vee dat op het veld is. De paarden, ezels, kamelen, runderen en schapen zullen een vreselijke ziekte krijgen.s
4 En
Jehovah zal beslist onderscheid maken tussen het vee van Israël en het
vee van Egypte: bij de Israëlieten zal geen enkel dier doodgaan.'"'t
5 Jehovah stelde ook het tijdstip vast door te zeggen: 'Morgen zal Jehovah dit in het land doen.'
6 De volgende dag liet Jehovah dat gebeuren, en heel wat vee* van Egypte ging dood.u Maar geen enkel dier van de Israëlieten stierf.
7 De
farao liet navraag doen, en bij de Israëlieten was inderdaad geen enkel
dier gestorven. Toch bleef het hart van de farao ongevoelig, en hij
liet het volk niet gaan.v
8 Daarna
zei Jehovah tegen Mozes en Aäron: 'Neem in beide handen roet uit een
kalkoven, en Mozes moet het voor de ogen van de farao in de lucht
gooien.
9 Het
zal zich als fijn stof over heel Egypte verspreiden, en het zal in heel
Egypte bij mens en dier etterende zweren veroorzaken.'
10 Ze
haalden dus roet uit een kalkoven en gingen voor de farao staan. Mozes
gooide het in de lucht, waarna mens en dier onder de etterende zweren
kwam te zitten.
11 De magiërs konden vanwege de zweren niet voor Mozes staan, want de magiërs en alle andere Egyptenarenw zaten onder de zweren.
12 Maar Jehovah liet toe dat de farao* koppig werd, en de farao luisterde niet naar hen, zoals Jehovah tegen Mozes had gezegd.x
13 Toen
zei Jehovah tegen Mozes: 'Sta morgen vroeg op, verschijn voor de farao
en zeg tegen hem: "Dit heeft Jehovah, de God van de Hebreeën, gezegd:
'Laat mijn volk gaan om mij te aanbidden.
14 Want nu richt ik al mijn plagen tegen jou,* je dienaren en je volk, zodat je zult weten dat er op de hele aarde niemand is als ik.y
15 Want
ik had mijn hand ondertussen al kunnen uitsteken om jou en je volk met
een vreselijke ziekte te treffen, en dan zou je van de aarde zijn
weggevaagd.
16 Maar
dit is de reden dat ik je in leven heb gelaten: om je mijn kracht te
tonen en om mijn naam over de hele aarde bekend te laten maken.z
17 Ben je nog steeds te trots om mijn volk te laten gaan?
18 Morgen
om deze tijd zal ik het zo zwaar laten hagelen als in Egypte nog nooit
is voorgekomen sinds de dag dat het land is ontstaan.
19 Geef
daarom opdracht om al je vee en alles wat je op het veld hebt, in
veiligheid te brengen. Ieder mens en dier dat nog op het veld is en niet
naar binnen is gebracht, zal sterven wanneer het gaat hagelen.'"'
20 De dienaren van de farao die ontzag hadden voor het woord van Jehovah, brachten hun slaven en hun vee in veiligheid,
21 maar degenen die het woord van Jehovah niet serieus* namen, lieten hun slaven en hun vee op het veld.
22 Jehovah zei tegen Mozes: 'Strek je hand uit naar de hemel, zodat het in heel Egypte gaat hagelen,a op mens en dier en op alle gewassen in Egypte.'b
23 Mozes stak zijn staf uit naar de hemel, en Jehovah liet het donderen en hagelen en hij liet vuur* op de aarde neerkomen. Jehovah liet het aanhoudend hagelen in Egypte.
24 Er viel hagel en er flitste vuur tussen de hagel door. Het had in Egypte nog nooit zo hard gehageld zolang het volk bestond.c
25 Overal
in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat op het veld was, van mens
tot dier. Alle planten en alle bomen van het veld werden vernield.d
26 Alleen in Go̱sen, waar de Israëlieten woonden, viel geen hagel.e
27 Toen
liet de farao Mozes en Aäron roepen. Hij zei tegen ze: 'Deze keer heb
ik gezondigd. Jehovah is rechtvaardig, en ik en mijn volk hebben
ongelijk.
28 Smeek
Jehovah dat er een eind komt aan Gods donder en hagel. Dan ben ik
bereid jullie te laten gaan en hoeven jullie niet langer te blijven.'
29 Mozes
antwoordde: 'Zodra ik de stad uit ben, zal ik mijn handen opheffen naar
Jehovah. De donder zal ophouden en er zal geen hagel meer vallen. Dan
zult u weten dat de aarde van Jehovah is.f
30 Toch weet ik al dat u en uw dienaren ook dan nog steeds geen ontzag zullen hebben voor Jehovah God.'
31 Het vlas en de gerst waren platgeslagen, want de gerst stond al in de aar en het vlas stond in de knop.
32 Maar de tarwe en de spelt werden niet vernield, want die gewassen zijn later.*
33 Mozes
ging bij de farao weg, de stad uit, en hij hief zijn handen op naar
Jehovah. De donder en de hagel hielden op en er stortte geen regen meer
neer.g
34 Toen de farao zag dat de regen, de hagel en de donder waren opgehouden, zondigde hij opnieuw en verhardde hij zijn hart,h zowel hij als zijn dienaren.
35 De farao* bleef koppig, en hij liet de Israëlieten niet gaan, zoals Jehovah via Mozes had gezegd.i
10 Toen
zei Jehovah tegen Mozes: 'Ga naar de farao, want ik heb toegelaten dat
zijn hart en het hart van zijn dienaren ongevoelig is geworden,j zodat ik deze wonderen* van mij voor zijn ogen kan doen.k
2 Dan kun je aan je zonen en je kleinzonen vertellen hoe streng ik tegen Egypte ben opgetreden en welke wonderen* ik bij hen heb gedaan.l En jullie zullen beslist weten dat ik Jehovah ben.'
3 Mozes
en Aäron gingen naar de farao en zeiden tegen hem: 'Dit heeft Jehovah,
de God van de Hebreeën, gezegd: "Hoelang blijf je nog weigeren je aan
mij te onderwerpen?m Laat mijn volk gaan om mij te aanbidden.*
4 Als je blijft weigeren mijn volk te laten gaan, laat ik morgen sprinkhanen over je land komen.
5 Ze
zullen de hele oppervlakte van het land bedekken, en er zal geen grond
meer te zien zijn. Wat er na de hagel voor jullie was overgebleven,
zullen ze opeten, en ze zullen al jullie bomen die in het veld groeien,
kaalvreten.n
6 Je
huizen en de huizen van al je dienaren en van heel Egypte zullen vol
sprinkhanen zijn, zoals je vaders en je grootvaders nog nooit hebben
meegemaakt."'o Daarop draaide hij zich om en ging bij de farao weg.
7 Toen zeiden de dienaren van de farao tegen hem: 'Hoelang zal deze man nog ellende* over ons brengen? Laat die mannen gaan om Jehovah, hun God, te aanbidden. Beseft u nog niet dat Egypte geruïneerd is?'
8 Mozes
en Aäron werden dus opnieuw bij de farao gebracht. 'Ga Jehovah, jullie
God, maar aanbidden', zei hij tegen ze. 'Maar wie gaan er eigenlijk
allemaal mee?'
9 Mozes antwoordde: 'We gaan met jong en oud, met onze zonen en onze dochters, onze schapen en onze runderen,p want we gaan een feest voor Jehovah vieren.'q
10 Hierop zei de farao: 'Dán zou Jehovah echt met jullie zijn,r als ik jullie met je kinderen liet gaan! Het is duidelijk dat jullie iets slechts van plan zijn.
11 Daar
komt niets van in! Alleen de mannen mogen gaan om Jehovah te aanbidden,
want dat is wat jullie gevraagd hebben.' Toen werden ze bij de farao
weggejaagd.
12 Jehovah
zei tegen Mozes: 'Strek je hand uit over Egypte zodat de sprinkhanen
over het hele land komen en alle planten opeten, alles wat de hagel
heeft overgelaten.'
13 Meteen
stak Mozes zijn staf uit over Egypte, en Jehovah liet die hele dag en
die hele nacht een oostenwind over het land waaien. Toen het ochtend
werd, had de oostenwind de sprinkhanen meegebracht.
14 Zo kwamen er sprinkhanen in heel Egypte. Ze streken neer in het hele gebied van Egypte.s Het was een bijzonder zware plaag:t er waren nog nooit zo veel sprinkhanen geweest en er zouden er ook nooit meer zo veel komen.
15 Ze
bedekten de oppervlakte van het hele land, en het land zag zwart van de
sprinkhanen. Ze verslonden alle planten in het land en alle vruchten
aan de bomen die de hagel had overgelaten. In heel Egypte bleef aan de
bomen en op het land geen groen meer over.
16 De farao liet snel Mozes en Aäron halen en zei: 'Ik heb gezondigd tegen Jehovah, jullie God, en tegen jullie.
17 Vergeef
alsjeblieft deze keer nog mijn zonde en smeek Jehovah, jullie God, dat
hij mij nog van deze ene dodelijke plaag verlost.'
18 Toen ging hij* bij de farao weg en bad tot Jehovah.u
19 Daarop
liet Jehovah de wind draaien, zodat het een krachtige westenwind werd,
die de sprinkhanen wegvoerde en ze de Rode Zee in joeg. Er bleef in heel
Egypte geen enkele sprinkhaan over.
20 Maar Jehovah liet toe dat de farao* koppig werd,v en hij liet de Israëlieten niet gaan.
21 Toen
zei Jehovah tegen Mozes: 'Strek je hand uit naar de hemel, dan komt er
duisternis over Egypte, een duisternis die zo dicht is dat ze tastbaar
is.'
22 Onmiddellijk
strekte Mozes zijn hand uit naar de hemel, waarop er in heel Egypte een
dichte duisternis ontstond, drie dagen lang.w
23 Ze
konden elkaar niet zien, en drie dagen lang verliet niemand van hen
zijn huis. Maar waar de Israëlieten woonden, was het licht.x
24 Daarna riep de farao Mozes en zei: 'Ga Jehovah maar aanbidden.y Jullie mogen zelfs je kinderen meenemen. Alleen jullie schapen en runderen moeten achterblijven.'
25 Maar Mozes zei: 'U moet ook voor slachtoffers en brandoffers zorgen,* die we aan Jehovah, onze God, zullen offeren.z
26 Ook ons vee zal met ons meegaan. Geen enkel dier*
mag achterblijven, want we zullen een aantal van die dieren gebruiken
om Jehovah, onze God, te aanbidden. En pas als we daar zijn aangekomen,
weten we wat we aan Jehovah zullen offeren.'
27 Maar Jehovah liet toe dat de farao* koppig werd, en die gaf hun geen toestemming om te gaan.a
28 De farao zei tegen hem: 'Verdwijn uit mijn ogen! Waag het niet hier nog eens te komen,* want op de dag dat je hier weer komt,* zul je sterven.'
29 Hierop zei Mozes: 'Zoals u wilt. Ik zal u niet meer onder ogen komen.'
11 Toen zei Jehovah tegen Mozes: 'Ik zal nog één plaag over de farao en Egypte laten komen. Daarna zal hij jullie laten gaan.b Wanneer hij dat doet, zal hij jullie letterlijk het land uit jagen.c
2 Zeg tegen het volk dat alle mannen en vrouwen aan hun buren om zilveren en gouden voorwerpen moeten vragen.'d
3 En
Jehovah zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren.
Bovendien stond Mozes in hoog aanzien in Egypte, zowel bij de dienaren
van de farao als bij het volk.
4 Toen zei Mozes: 'Dit heeft Jehovah gezegd: "Rond middernacht zal ik rondgaan door Egypte.e
5 Alle eerstgeborenen in Egypte zullen sterven,f
van de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zit, tot de
eerstgeborene van de slavin die aan de handmolen werkt. Ook alle
eerstgeboren dieren zullen sterven.g
6 Overal in Egypte zal een luid gejammer zijn zoals er nog nooit is geweest en ook nooit meer zal zijn.h
7 Maar bij de Israëlieten zal zelfs geen hond blaffen* tegen mens of dier. Zo zullen jullie weten dat Jehovah onderscheid kan maken tussen de Egyptenaren en de Israëlieten."i
8 En al uw dienaren zullen naar me toe komen, zich voor me neerbuigen en zeggen: "Vertrek met het hele volk dat u volgt."j En dan zal ik vertrekken.' Daarop ging hij woedend bij de farao weg.
9 Jehovah zei tegen Mozes: 'De farao zal niet naar jullie luisteren.k Zo zullen mijn wonderen in Egypte nog talrijker worden.'l
10 Mozes en Aäron deden al deze wonderen voor de ogen van de farao,m maar Jehovah liet toe dat de farao* koppig werd, zodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet vertrekken.n
12 Jehovah zei in Egypte tegen Mozes en Aäron:
2 'Deze maand zal voor jullie de beginmaand zijn, de eerste maand van het jaar.o
3 Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: "Op de tiende dag van deze maand moet ieder voor zich een lamp uitkiezen voor zijn familie,* één lam per huis.
4 Maar als de familie te klein is voor een heel lam, dan moeten ze* het in hun huis met hun naaste buren delen. Ze moeten daarbij rekening houden met het aantal personen* en nagaan hoeveel iedereen ervan zal eten.
5 Het lam moet een eenjarig mannetje zijn zonder gebreken.q In plaats van een schaap mogen jullie ook een geit kiezen.
6 Jullie moeten er tot de 14de dag van deze maand voor zorgen.r Dan moet de hele gemeente van Israël het in de avondschemering*s slachten.
7 Ze
moeten wat van het bloed nemen en dat spatten op de twee deurposten en
de balk boven de deuropening van de huizen waar ze het lam eten.t
8 Diezelfde nacht moeten ze het vlees eten.u Ze moeten het boven het vuur roosteren en het samen met ongezuurd broodv en bittere kruidenw eten.
9 Eet niets ervan rauw of gekookt in water, maar rooster het boven het vuur, de kop samen met de schenkels en de ingewanden.
10 Jullie mogen er niets van bewaren tot de volgende ochtend. Wat er 's ochtends nog over is, moeten jullie verbranden.x
11 En zo moeten jullie het eten: met je gordel om,* je sandalen aan en je staf in de hand. Jullie moeten het haastig eten. Het is het Pascha voor Jehovah.
12 Want ik zal in die nacht rondgaan door Egypte en alle eerstgeborenen van mens en dier in Egypte doden.y Ik zal het vonnis voltrekken aan alle goden van Egypte.z Ik ben Jehovah.
13 Het
bloed zal een teken zijn op de huizen waar jullie zijn. En ik zal het
bloed zien en jullie voorbijgaan, en de vernietigende plaag zal jullie
niet treffen wanneer ik Egypte straf.a
14 Deze
dag moeten jullie herdenken, en van generatie op generatie moeten
jullie deze dag vieren als een feest voor Jehovah. Het is een blijvend
voorschrift dat jullie deze dag vieren.
15 Zeven dagen lang moeten jullie ongezuurd brood eten.b Op de eerste dag moeten jullie de zuurdesem* uit jullie huizen verwijderen. Als iemand tijdens die zeven dagen iets eet wat gezuurd is, moet die persoon* uit Israël worden verwijderd.*
16 Op
de eerste dag moeten jullie een heilige bijeenkomst houden en op de
zevende dag nog een heilige bijeenkomst. Op die dagen mag er niet
gewerkt worden.c Het enige wat jullie mogen doen, is het voedsel klaarmaken dat jullie* nodig hebben.
17 Jullie moeten het Feest van het Ongezuurde Brood blijven vieren,d want op deze dag zal ik jullie als grote menigte* uit Egypte leiden. En jullie moeten deze dag van generatie op generatie vieren; het is een blijvend voorschrift.
18 Vanaf
de avond van de 14de dag van de eerste maand tot de avond van de 21ste
dag van die maand moeten jullie ongezuurd brood eten.e
19 Zeven
dagen lang mag er geen zuurdesem in jullie huizen worden aangetroffen.
Als iemand iets eet wat gezuurd is, of hij nu een vreemdeling of een
geboren Israëliet is,f moet die persoon* uit de gemeenschap van Israël worden verwijderd.g
20 Jullie mogen niets eten wat gezuurd is. In al jullie huizen moeten jullie ongezuurd brood eten."'
21 Mozes riep meteen alle oudsten van Israëlh bij elkaar en zei: 'Kies voor jullie families jonge dieren* uit en slacht het paschaoffer.
22 Doop
daarna een bosje hysop in het bloed dat in een schaal is opgevangen, en
bestrijk de balk boven de deuropening en de twee deurposten met het
bloed. Tot de ochtend mag niemand van jullie zijn huis uit gaan.
23 Als
Jehovah dan rondgaat om de Egyptenaren met de plaag te straffen en hij
het bloed op de balk boven de deuropening en op de twee deurposten ziet,
zal Jehovah de deur zeker voorbijgaan. Hij zal niet toelaten dat de
dodelijke plaag* jullie huizen binnenkomt.i
24 Jullie moeten deze gebeurtenis herdenken. Het is een blijvend voorschrift voor jullie en jullie zonen.j
25 Ook
als jullie in het land gekomen zijn dat Jehovah jullie zal geven zoals
hij heeft gezegd, moeten jullie deze viering steeds houden.k
26 En als jullie zonen je vragen: "Wat is de betekenis van deze viering?",l
27 dan
moeten jullie zeggen: "Het is het slachtoffer van het Pascha voor
Jehovah. Hij ging in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbij en
spaarde de mensen in onze huizen toen hij de Egyptenaren met een plaag
strafte."'
Het volk viel op hun knieën en boog diep.
28 De Israëlieten vertrokken en deden zoals Jehovah Mozes en Aäron geboden had.m Precies zo deden ze het.
29 Om middernacht doodde Jehovah elke eerstgeborene in Egypte:n van de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zat, tot de eerstgeborene van de gevangene die in de gevangenis* zat. Ook doodde hij alle eerstgeboren dieren.o
30 De
farao, al zijn dienaren en alle andere Egyptenaren stonden die nacht
op, en er werd luid gehuild onder de Egyptenaren, want er was geen huis
zonder dode.p
31 Diezelfde nacht nog liet hij Mozes en Aäronq komen, en hij zei: 'Vertrek! Ga bij mijn volk weg, jullie en de andere Israëlieten! Ga Jehovah maar aanbidden,* zoals jullie hebben gezegd.r
32 Neem ook jullie schapen, geiten en runderen mee en vertrek, zoals jullie hebben gezegd.s Maar ik wil wel dat jullie me zegenen.'
33 Toen drongen de Egyptenaren er bij het volk op aan om snel uit het land te vertrekken.t 'Want anders gaan we allemaal dood!',u zeiden ze.
34 Het volk nam dus het meeldeeg mee voordat het gezuurd was. Ze wikkelden hun baktroggen* in hun kleren en droegen die op hun schouders.
35 De Israëlieten deden wat Mozes had gezegd en vroegen de Egyptenaren om zilveren en gouden voorwerpen en om kleding.v
36 Jehovah zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren, zodat die hun gaven waar ze om vroegen. Zo beroofden* ze de Egyptenaren.w
37 Toen vertrokken de Israëlieten vanuit Rame̱sesx naar Su̱kkothy — zo'n 600.000 mannen,* de kinderen niet meegerekend.z
38 Er ging een grote groep vreemdelingen*a met hen mee, en ook schapen, geiten en runderen, een grote hoeveelheid vee.
39 Van
het deeg dat ze uit Egypte hadden meegenomen, bakten ze ronde,
ongezuurde broden. Het deeg was niet gezuurd, want ze waren zo
plotseling uit Egypte weggejaagd dat ze geen proviand voor zichzelf
hadden klaargemaakt.b
40 De duur van het verblijf van de Israëlieten, die in Egypte hadden gewoond,c was 430 jaar.d
41 Toen de 430 jaar verstreken waren, precies op die dag, vertrok de grote menigte* van Jehovah uit Egypte.
42 Dit
is een nacht waarin ze zullen vieren dat Jehovah hen uit Egypte heeft
geleid. Deze nacht moet door het hele volk Israël van generatie op
generatie worden herdacht ter ere van Jehovah.e
43 Vervolgens
zei Jehovah tegen Mozes en Aäron: 'Voor het Pascha gelden de volgende
voorschriften: Geen enkele vreemdeling mag ervan eten.f
44 Maar als iemand een slaaf heeft die met geld is gekocht, moet je hem besnijden.g Pas dan mag hij ervan eten.
45 Een buitenlander die bij jullie woont en een loonarbeider mogen er niet van eten.
46 Het
moet in één huis gegeten worden. Je mag niets van het vlees buiten het
huis brengen en de botten mogen niet gebroken worden.h
47 De hele gemeenschap van Israël moet het vieren.
48 Als
er een vreemdeling bij jullie woont en hij het Pascha voor Jehovah wil
vieren, dan moeten al zijn mannelijke familieleden besneden worden. Dan
mag hij het vieren, en hij zal als een geboren Israëliet worden. Maar
iemand die niet besneden is, mag er niet van eten.i
49 Er zal één wet gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij jullie woont.'j
50 Alle Israëlieten deden wat Jehovah Mozes en Aäron had opgedragen. Precies zo deden ze het.
51 Op die dag leidde Jehovah de Israëlieten met hun grote menigte* uit Egypte.
(Bron: https://www.jw.org/nl/bibliotheek/bijbel/studiebijbel/boeken/exodus/7/#v2007001-v2007025)