VERPLEEGKUNDIGE JOKE ZWANIKKEN-LEENDERS HEEFT HAAR HELE LOOPBAAN GESTREDEN VOOR EEN VERMENSELIJKING VAN DE PSYCHIATRIE

Joke Zwanikken-Leenders (1944) muntte de term 'Verwenzorg'.
— geestelijke gezondheidszorg —
Verpleegkundige Joke Zwanikken-Leenders, heeft haar hele loopbaan gestreden voor een vermenselijking van de psychiatrie, muntte de term Verwenzorg.
Door Dienie Kars │ De Nieuwe media
Heb Joke toen ik op Voorburg en Reinier van Arkel werkzaam was gekend.
Beluister dit prachtige en zeer openhartige interview met Joke.
Wees vriendelijk, observeer en geef je medemens wat extra aandacht!
Heel veel mensen doen het al... En... het is zelfs besmettelijk...!

Joke Zwanikken-Leenders is een bijzondere verpleegkundige. Niet omdat zij haar leven lang in de GGz heeft gewerkt. Het is de wijze waarop zij gestalte heeft gegeven aan het verplegen van mensen met ernstig chronische psychiatrische problemen.
Longstay
Hoewel de zogenaamde 'longstay' niet echt populair was als werkplek, koos zij daar juist voor. Ze was een gedreven en eigenzinnige verpleegkundige, die het lot van deze kwetsbare groep patiënten op de agenda bleef zetten. Eerst als verpleegkundige en later vanuit een leidinggevende functie. Zij zette zich met hart en ziel in voor 'de verwenzorg', waarvan zij na haar pensioen haar levenswerk maakte. Verwenzorg werd een begrip in de gezondheidszorg en opgenomen in de Dikke van Dale: "patiëntenzorg …. door het schenken van persoonlijke aandacht."
Joke ontwikkelde
Verwenzorg tot een sociaal ondernemerschap: je inzetten voor anderen
zonder winstoogmerk. Haar loopbaan is te lezen als een beknopte
geschiedenis van de psychiatrie.
Brabantse boerendochter
Joke werd op 10 oktober 1944 in het Brabantse dorp Mariahout geboren.
Mariahout behoort momenteel tot de gemeente Laarbeek en ligt in de buurt
van Helmond. Joke was de jongste van zes kinderen in een katholiek
boerengezin. Het was een warm gezin en anderen helpen hoorde er als
vanzelfsprekend bij. Vooral haar moeder stond bekend als een vrouw die
oog had voor anderen. Ze stond klaar voor haar gezin, familie en
dorpsgenoten en gaf kooklessen aan de vrouwen van de boerinnenbond. Dat
gebeurde thuis in hun keuken en de kinderen Leenders zaten dan op de
trap om te luisteren wat daar allemaal gebeurde en besproken werd.
Jokes moeder gaf kleur aan hun leven en wist van niks iets te maken. De
kinderen zagen er altijd mooi uit; Joke en haar zus hadden de grootste
strikken in hun haar van de meisjes in hun klas. Joke ging als enige van
het gezin na de lagere school naar de MULO. Haar vier oudere broers en
zus zijn volgens Joke 'allemaal goed terecht gekomen'. De nonnen van de
lagere school zagen wel wat in Joke; zij zou een 'goeie verpleegster'
zijn. Als je wilde doorleren dan werd je onderwijzeres of verpleegster.
Zo was dat in die tijd.
De lagere school in Mariahout viel onder dezelfde religieuze congregatie
– de Zusters van Barmhartigheid van Ronse- als de psychiatrische
instellingen Voorburg en Reinier van Arkel in Vught. Op 27 februari 1961
ging Joke op de fiets van Mariahout naar Vught om te solliciteren voor
de opleiding tot verpleegkundige B. Twee dagen later kon ze beginnen als
leerling-verpleegkundige. Jaren later toen ze leidinggevende in
diezelfde instelling was, vond ze in haar dossier het rapport van haar
medische keuring en het psychologische testrapport. Met grote letters
stond op het dossier: Een goei boerendochter. Aannemen!
Geïsoleerd gesticht
Joke begon als 16-jarige om 'praktijk op te doen' in St. Jozef, het
klasse-paviljoen voor tachtig dames in Huize Voorburg te Vught. Ze
woonde er gedurende haar leerlingentijd intern. Voorburg was onderdeel
van een groot katholiek psychiatrisch ziekenhuis met een vrouwen- en een
mannenafdeling, dat door religieuzen werd geleid. Rond 1960 verkeerde
de psychiatrie in een groot isolement. Het publiek was nauwelijks
geïnteresseerd in wat er achter de hoge hekken van een 'gesticht'
gebeurde. In deze 'gestichten' werden mensen die niet functioneerden in
de maatschappij, opgeborgen.
In oktober 1961 begon Joke met de theorie van haar psychiatrische
verpleegopleiding en wel met een les van psychiater Goos Zwanikken.
Gehuld in gesteven witte jas begon hij zijn eerste les met een plechtige
toespraak: "Zusters. Wie voor zichzelf komt, kan beter nú vertrekken."
Een paar weken later zette hij een volle vissenkom neer in de klas. Met
de opdracht om een gedetailleerd schriftelijk verslag te maken over het
uiterlijk en gedrag van die vissen. Zo gedetailleerd moesten de
leerling-verpleegkundigen daarna ook patiënten leren observeren.
Toen Joke een half jaar later terechtkwam op Martha, het derde klasse
paviljoen voor honderdtwintig vrouwen, bleek hoe lastig "succesvol
observeren" daar was. Die vrouwen droegen allemaal dezelfde, veel te
wijde en vormeloze gestichtsjurken. Ze werden slechts ééns per week
gebaad. Ze sliepen allemaal op één grote slaapzaal en hadden nauwelijks
enige privacy.
De staf verkeerde daardoor in de waan dat ze hen onder controle hadden.
Totdat één van de vrouwen op een dag, toen zij op de po ging, zomaar
ineens een tweeling baarde, zonder dat zijzelf of iemand van de staf
ooit enig teken van zwangerschap had opgemerkt. Deze gebeurtenis
veroorzaakte een enorme schok. Vanaf dat moment besefte Joke voorgoed
hoe belangrijk het is aandacht te schenken aan kleding en uiterlijk van
alle patiënten, aan ieders privacy en om regelmatig met iedereen te
praten over wat er in hen omging.
Maar niet alleen dat. Het was Joke een doorn in het oog dat er nooit iets leuks te doen was voor de patiënten en dat hun eten zeer eentonig was. "Een slappe hap'". Ze zocht wegen om het leven van deze mensen aangenamer te maken. Ze bracht een keer een tas vol kersen van de boomgaard bij hen thuis mee.
De patiënten smulden ervan. Deze spontane
actie leverde haar een reprimande op van de hoofdzuster. 'De patiënten
zouden zich hebben kunnen verslikken in de pitten."
Therapeutische gemeenschap
In de jaren zestig ontstond in verschillende landen binnen de
psychiatrie de beweging van de antipsychiatrie. De psychiaters Laing,
Cooper en Szasz gooiden heel wat heilige huisjes om. Hun ideeën
verspreidden zich snel: het boek Wie is van hout?
van de Nederlandse anti-psychiater Jan Foudraine beleefde in één jaar
tijds 20 drukken. Deze anti-psychiaters keerden zich tegen het
medisch-somatisch behandelmodel, omdat dit maatschappelijke factoren
buiten beeld hield. Ze zagen het 'gesticht' als een plek die mensen
zieker maakte en vooral als een instrument van sociale controle van de
machthebbers.
In navolging van deze veranderingen startte psychiater Zwanikken met een
groep verpleegkundigen (géén religieuzen) met het nieuwe idee van een
therapeutische gemeenschap op de afdeling Martha. Joke hoorde bij die
groep. De afdeling werd opengegooid en van de patiënten werd verwacht
dat zij meer zelf gingen doen en zo hun eigen leven gingen leiden.
In eerste instantie leidde deze nieuwe aanpak tot veel spanningen met de
directie, maar nadat Zwanikken in 1974 geneesheer-directeur werd,
veranderde er veel. De verhoudingen en structuren werden democratischer
en inhoudelijk koos men voor het systeem- en gezinsdenken. De omgeving
van de patiënten werd zoveel mogelijk betrokken bij de behandeling.
Zwanikken hield grote 'Patiënt Staff Meetings'. Hij riep de
honderdtwintig vrouwen bijeen en zette de verpleegsters ertussen om alle
reacties in goede banen te leiden. Hij stelde concrete onderwerpen aan
de orde: "Wilt u graag zelf een mes kunnen pakken om uw brood te
snijden? Kunnen we nieuwe stoelen kopen en blijven die heel?"
De patiënten vonden dit prachtig. Natúúrlijk wilden ze allemaal graag
gewoon een mes kunnen pakken. Dat waren ze thuis ook gewend. Nieuwe
stoelen wilden ze ook en ze zouden er niet mee gooien. Joke vertelt, dat
vooral de verpleegsters moesten leren dat psychiatrische patiënten best
met een mes of met mooi meubilair konden omgaan. Tot dan toe hadden zij
's avonds opdracht gekregen om het aanwezige bestek na te tellen.
Patiënten werden bekeken als gevaarlijke wezens. Gelukkig leerden ze
snel op een andere manier naar hen te kijken, een proces waarbij ze
begeleiding kregen. Zwanikken had het boek De therapeutische gemeenschap van Maxwell Jones vertaald en riep alle verpleegsters bijeen om over die tekst te praten.
Gedreven en eigenzinnig
Achteraf beseft Joke dat zij behoort tot een generatie die in een goede
tijd is opgeleid. De aandacht voor de kennis over psychiatrische ziekten
en behandelmethoden groeide per dag; zo ook de opleidingen en
praktijkbegeleiding. Na 1968 werden alle afdelingen steeds kleiner. Joke
werkte in het begin nog veel samen met religieuze verzorgers en
verpleegkundigen, maar die groep vergrijsde en er was geen aanwas. Zo
ontstond een groot tekort aan verpleegkundigen in de gezondheidszorg.
De aandacht voor de noodzaak van goed opgeleid personeel op de werkvloer
groeide. Zwanikken nodigde therapeuten van naam en faam uit om op
Voorburg les te komen geven, ook aan de verpleegkundigen op de afdeling.
Van beroemdheden als Virginia Satir, Laqueur, Bach en Ross Speck heeft
Joke als verpleegster met plezier colleges bijgewoond. Ze zegt daarover:
"Ik had mazzel dat ik opviel doordat ik goed kon leren. Ik heb hard
gewerkt, maar ook veel geluk gehad in mijn carrière."
Na het behalen van haar diploma Verpleging B moest Joke zoals alle
gediplomeerden vertrekken en plek maken voor nieuwe
leerling-verpleegkundigen. Joke kon een aanstelling krijgen in Veghel in
het algemene ziekenhuis. Daar volgde ze aanvullend de opleiding
Verpleging A met kinderaantekening. Op 26-jarige leeftijd werd ze in het
ziekenhuis in Helmond hoofd van de eerste PAAZ (Psychiatrische Afdeling
Algemeen Ziekenhuis) in heel Nederland. Een nieuwe vorm van zorg, waar
Joke pionierswerk verrichtte. Zij was een kind van haar tijd, iemand die
deel was van grote veranderingsprocessen en daar ook zelf mee vorm aan
gaf.
In de PAAZ in Helmond wilde Joke geen klinische sfeer. Het moest een
gewone huiskamer zijn en de verpleegkundigen droegen geen uniformen. Dat
was beter voor het therapeutische klimaat. Haar vernieuwende werk werd
opgemerkt door haar oude werkgever. In de jaren zeventig haalde Voorburg
haar terug en werd ze verpleegkundig hoofd van de hele damesafdeling.
Daar woonden duizend vrouwelijke patiënten en er werkten 220
personeelsleden. Joke was amper 30 jaar oud. Samen met psychiater
Zwanikken hervormde ze vanaf 1974 de zorgvoorzieningen onder meer door
bewoners te huisvesten in zogeheten 'sociowoningen' buiten het
instellingsterrein. Dit paste in de ontwikkeling van
vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg.
Normaliseren van het dagelijks leven
De veranderingen en professionalisering binnen de psychiatrie gingen
door. Men begon met dagbehandeling, psychiatrische poliklinieken,
crisisinterventie, geriatrie en kinder- en jeugdpsychiatrie. De
structuurnota van staatssecretaris Hendriks in 1974 gaf hoge prioriteit
aan regionalisatie. Dat had gevolgen voor de organisatie van de
psychiatrie ook in de regio-Hertogenbosch. In 1991 werden Voorburg
(Vught) en Reinier van Arkel
('s-Hertogenbosch) met al hun dependances samengevoegd tot de Stichting
Reinier van Arkel. De diverse directies werden steeds meer bemenst door
professionele managers.
Joke zag de afstand tussen werkvloer en management groeien. Ze
realiseerde zich dat verpleegkundigen pas gezien en geprezen werden voor
hun werk als zij zélf onder woorden brachten wát ze deden in
patiëntcontacten. Ze konden aan de patiënten en/of aan hun familieleden
in gewone taal uitleggen wat ze precies deden. Joke deed dit
consequent in haar Brabants dialect, want dan begrepen mensen tenminste
waar het over ging. Ze had maling aan de zogenaamde 'correcte zorgtaal';
ze wilde niet praten over 'patiënten als klanten of burgers' of over
'eigen regie'. 'Mijn mensen zitten hier niet voor hun zweetvoeten" zei
ze vaker of 'als ze dat allemaal kunnen, sluit ik morgen de afdelingen,
want dan hebben ze geen gekkenhuis nodig'. De bewoners noemde ze
liefkozend 'gekskes'. Een woord waarmee ze choqueerde en verwarring
opriep. "Zoiets zei je toch niet. Zeker Joke toch niet, die zich zo
inzette voor de bewoners."
Joke woonde op het terrein van Voorburg en kwam elke dag op alle
afdelingen. Ze kende iedereen bij naam, alle personeelsleden en alle
bewoners. Daardoor merkte ze snel als er iets niet goed liep. Aan
vergaderen over problemen had ze een broertje dood, dat duurde te lang.
Een half woord was voor haar meestal genoeg om te weten wat de kern van
het probleem was en hoe dat aangepakt moest worden. Joke zocht
voortdurend manieren om het leven van de bewoners én de verpleegkundigen
aangenamer te maken door leuke dingen te doen. Ze streed voor het
normaliseren van het dagelijkse leven en daar hoorde leuke dingen bij.
Als ze zaken onrechtvaardig vond, kaartte ze dit aan. Zo legde ze aan de
directie de vraag voor: "Waarom krijgen medewerkers een kerstpakket en
de bewoners niet? "Die kerstpakketten kwamen er vervolgens. Ze stond aan
de wieg van de eerste VAR (Verpleegkundigen Advies Raad) in Nederland.
Ze vond het belangrijk dat verpleegkundigen een positie hadden om zich
met het instellingsbeleid te bemoeien.
Officier in de Orde van Oranje-Nassau
Joke woonde lange tijd op het terrein van Voorburg, maar ondernam veel
en had plezier in het leven. "We hebben zoveel gelachen in die tijd."
Met collega's liftte ze naar het concert van de Beatles in Rotterdam en
met haar kleine Volkswagen reed ze op de bonnefooi met vriendinnen naar
Parijs. Ze was nieuwsgierig en wilde altijd nieuwe dingen leren. Zo
bezocht ze meerdere keren het internationale congres voor
verpleegkundigen in Heidelberg. Ze ontving samen met Goos Zwanikken
internationale kopstukken in de psychiatrie, leidde hen rond in
Nederland en België en werd voor een tegenbezoek uitgenodigd in Amerika.
In 2002 trouwde Joke op latere leeftijd met Goos Zwanikken, haar
vroegere opleider en baas, die inmiddels weduwnaar was geworden. Zij
kreeg er een hele familie bij. Goos en zijn vrouw hadden 6 kinderen en
inmiddels een schare kleinkinderen en achterkleinkinderen. Op haar 62ste
verjaardag ging Joke in de OBU (vervroegd pensioen). Op 26 oktober 2006
bood de Reinier van Arkel Groep haar een afscheidsreceptie aan na een
symposium georganiseerd door de Verpleegkundige Adviesraad (VAR).
Tijdens het symposium 'Passie in de zorg' werd Joke Leenders door
burgemeester Rombouts van Den Bosch bevorderd tot Officier in de Orde
van Oranje-Nassau. Tijdens de afscheidsreceptie kreeg ze een prachtig Liber Amicorum aangeboden. In dit Liber Amicorum
is de laudatio opgenomen, die Paul Schnabel uitsprak bij de uitreiking
van de Ereprijs 2006 van het Fonds Psychische Gezondheid.
"Ge snapt ut of ge snapt ut niet!"
Na haar pensionering maakte Joke van Verwenzorg een dagtaak. Haar man
Goos stond vierkant achter Jokes activiteiten. Jokes motto is: "Je wordt
verwend om wie je bent." Ze koos de kers als symbool voor Verwenzorg.
Want Joke en kersen horen bij elkaar. De kers staat voor alles wat het
leven extra smaak en kleur geeft. Een keer een biertje op een terrasje
drinken. Een voetbalwedstrijd bijwonen. Een ballontocht maken. Met
familie naar de Chinees. Een high tea in een chic restaurant. Kortom, al
die dingen die het leven de moeite waard maken.
Zij organiseerde dit soort activiteiten al jarenlang voor haar patiënten
en in navolging van Jan Bastiaanse (directeur van het Landelijk Centrum
Verpleging en Verzorging) noemde ze deze activiteiten voortaan
Verwenzorg. Joke zegt hierover: "Iemand die verwend wordt, voelt zich
bijzonder en voelt dat hij/zij er echt mag zijn." Precies dat gevoel
geven komt in de routine van alledag in grote instellingen in de knel.
Joke bleef nieuwe plannen bedenken om mensen bij de Verwenzorg te
betrekken. Organisaties, bedrijven en personen bleef ze achter de vodden
zitten om iets bij te dragen aan de Verwenzorg. Zo kreeg ze
zorgverzekeraar CZ zover om de CZ Verwenzorgprijs te installeren. Een
stimulans voor organisaties om iets te doen met Verwenzorg. Een
gevleugelde uitspraak van Joke in goed Brabants is: "Ge snapt ut of ge
snapt ut niet". Dat is haar strategie. Ze stapt op iedereen af, spreekt
mensen persoonlijk aan en degenen die uit eigen ervaring weten wat het
betekent om op professionele zorg aangewezen te zijn, die snappen het
meestal.
Omdat Joke zoveel organisaties en mensen bij de Verwenzorg heeft weten te betrekken is er een vorm van delen in het groot op gang gekomen. Verwenzorg is een sociaal ondernemerschap zonder winstoogmerk met een uitgebreid netwerk van ambassadeurs geworden. Sommige ambassadeurs werden Jokes persoonlijke vrienden zoals Willeke Alberti. Door verwenzorg is de samenleving een beetje leefbaarder geworden voor mensen met een chronische psychische aandoening. Het aantal mensen dat inmiddels met Verwenzorg bezig is, is immens. Vele bekende Nederlanders in beleid, bestuur, wetenschap en bedrijfsleven weet ze te enthousiasmeren om zich blijvend in te zetten voor de verwenzorg. Haar man overleed in 2017, maar Joke ging door. De universiteit van Tilburg onderzocht verwenzorg wetenschappelijk en concludeerde dat "juist de verwenzorg de kwetsbare mens als medemens heeft herontdekt. "
In februari 2021 organiseerde Reinier van Arkel Jokes 60-jarig jubileum
bij de GGZ. Haar vriendin Willeke Alberti was erbij. In deze periode
kwam de zesde en laatste Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ
uit. De conclusie luidt dat GGZ-cliënten in kwaliteit van leven en
participatie op een grote achterstand staan ten opzichte van de
algemene bevolking en dat deze achterstand sinds 2015 eerder toe dan
afgenomen is. Ondanks de overheidscampagne 'Hey, het is okë' blijven
'Jokes mensen' aan de kant staan. Joke zelf noemt het 'voortdurende
verwaarlozing'.
Verder lezen
▫ dr. A.C.M. Kappelhof, Reinier van Arkel 1442-1992. De geschiedenis van het oudste psychiatrische ziekenhuis van Nederland. Reinier van Arkel. 1992.
▫ Rob Bruntink, in samenwerking met Joke Zwanikken-Leenders, Verwenzorg, gewoon doen! Elsevier gezondheidszorg. 2004.
▫ True Colours Nederland, Daar word ik blij van. Utrecht. 2007.
▫ Piet-Hein Zwanikken, Cecile aan de Stegge, Grace Herrmann. Biblo van Gerwen, Een passie voor verplegen. Liber Amicorum voor Joke Zwanikken-Leenders.'s-Hertogenbosch. 2006.
▫ CZ Fonds, Wat klein begon … 10 jaar CZ Verwenzorg. Tilburg. 2014.
▫ Annelies van Heijst, Petri Embregts, Maaike Hermsen, Esther Kuis, Madeleine Timmermans, Verwenzorg in het bijzonder. Btz vorm en regie. 2016.
▫ Hans Kroon, Aafje Knispel, Lex Hulsbosch, Aniek de Lange, Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ, Trimbos Instituut, 2021.
Publicatiedatum: 25-03-2021
Datum laatste wijziging: 10-05-2023
Verwenzorg Gewoon Doen
Grote groepen chronisch zieken - zoals bewoners van verpleeghuizen en psychiatrische ziekenhuizen - zijn niet in staat zichzelf te verwennen. Zij zijn daarvoor afhankelijk van anderen. Voor hen is er verwenzorg, een nieuwe ontwikkeling in de gezondheidszorg die enkele jaren geleden in gang is gezet door verpleegkundige Joke Zwanikken-Leenders.
Als reactie op de verzakelijking en professionalisering van de zorg,
nemen verwenzorgers juist alle tijd om persoonlijke aandacht aan zieken
te besteden. Verwenzorg is geen exclusieve taak van zorgverleners.
Mensen met uiteenlopende achtergronden - van huisvrouw tot politicus,
van hoogleraar tot scholier - zetten zich als vrijwilliger in om 'te
verwenzorgen'.
In dit boek wordt beschreven wat verwenzorg is en waardoor het is ontstaan. Ook wordt uitvoerig ingegaan op de effecten van verwenzorg (op zowel patiënten, bewoners en zorgverleners). Verder geeft dit boek tientallen voorbeelden van verwenzorgactiviteiten.
Verwenzorg, gewoon doen! is niet alleen een inspiratiebron voor zorgverleners, maar in feite voor iedereen die iets wil betekenen voor een ander.
Rob Bruntink is freelance-journalist. Hij schrijft over gezondheidszorg in vakbladen en kranten, waaronder het Algemeen Dagblad. Eerder publiceerde hij het boek Een goede plek om te sterven. Palliatieve zorg in Nederland. Joke Zwanikken-Leenders is verpleegkundige en beleidsmedewerker bij GGZ 's-Hertogenbosch.
Klik hier om het boek "Verwenzorg Gewoon Doen" te bestellen.
Betere psychische zorg: Joke (79) strijdt er al bijna haar hele leven voor

Joke Zwanikken-Leenders (79) uit Den Bosch zorgt al bijna haar hele leven voor mensen met psychische problemen. Zelfs na haar pensioen is ze doorgegaan met haar werk. Onder de naam 'Verwenzorg' legt Joke als vrijwilliger mensen in de GGZ extra in de watten. Want ze vindt dat de psychiatrie in Nederland beter kan. "Psychiatrische patiënten zijn onterecht het afvoerputje van de samenleving", zegt ze.
Geschreven door Megan Hanegraaf
8 april 2024 om 19:00 • Aangepast 1 november om 16:34
Joke begon op haar zestiende als verpleegkundige in psychiatrische ziekenhuis Voorburg in Vught. "In die tijd was er niet veel aandacht voor dit soort zorg. Psychiatrische patiënten werden vaak buitengesloten door de samenleving", vertelt ze. "Mensen zagen het als gekkenhuis in plaats van een ziekenhuis voor geestelijk zieke mensen."
Joke vond het juist belangrijk om deze mensen met respect te behandelen en goed voor ze te zorgen. Maar het tegendeel gebeurde, volgens haar. "Het eten was slecht, alle patiënten droegen dezelfde kleding, ze mochten één per week in bad en sliepen met tientallen op een grote slaapzaal."
De verpleegkundige zocht daarom zelf naar manieren om het leven van deze mensen iets aangenamer te maken. Zo bracht ze een keer een tas vol kersen van de boomgaard bij hen thuis mee. "De patiënten smulden ervan. Ze waren hartstikke blij met zo'n klein gebaar, want zoiets kregen ze nooit. Maar van mijn leidinggevende kreeg ik op mijn kop, omdat het tegen de regels in was. Ze hadden erin kunnen stikken." Dat typeert volgens haar hoe het eraan toegaat binnen de psychiatrie. "Alles moet volgens de theorie, terwijl het in de praktijk soms anders of beter kan."
"De aandacht voor psychiatrische patiënten ontbreekt vaak."
Joke bleef ervoor pleiten om de zorg meer te richten op de behoeften van de patiënt zodat er meer aandacht is voor hun welzijn. Met succes. De bewoners van Voorburg kregen beter eten, mooiere kleding en fijnere woonomstandigheden. "In 1974 heb ik ervoor gezorgd dat er voor het eerst een schoonheidsspecialiste kwam in de GGZ", blikt de Bossche terug. "Vooral voor die tijd was dat uniek."
Niet alleen in Vught, maar ook in de rest van Nederland werd de zorg mede door de inzet van Joke steeds iets beter. Eén van die verbeteringen is dat mensen met psychische problemen vaker zelfstandig, met begeleiding, wonen in plaats van in een 'gekkenhuis'. "Maar ook dan is aandacht geven het belangrijkste wat er is. En dat ontbreekt dan nog te vaak", benadrukt ze.
"De zorg in de psychiatrie moet nog stukken beter."
Toen Joke op haar 64e met pensioen ging, bleef ze actief betrokken bij de psychiatrie. Ze richtte Verwenzorg op, waarmee ze activiteiten en evenementen organiseert om het leven van patiënten leuker te maken. "Het is ooit begonnen met het kistje kersen. Sindsdien staat de kers symbool voor Verwenzorg om te laten zien hoe blij je mensen kunt maken met een klein gebaar. Ik vind het belangrijk om dat te doen, want het helpt hen ook bij hun mentale gezondheid."
Inmiddels hebben mede door Joke al honderden psychiatrische patiënten door heel Nederland genoten van bijvoorbeeld muziekoptredens, samen koken en gezamenlijke uitstapjes. "Ik wil ze dingen zoals ieder ander laten doen. Dingen die ze anders nooit zouden doen omdat ze 'ziek' zijn", vertelt de ex-verpleegkundige.
Maar ondanks al haar inspanningen ziet Joke dat psychiatrische patiënten nog steeds niet gelijkwaardig worden behandeld. "Dat moet in de psychiatrie nog stukken beter, maar ik merk ook dat er niet genoeg faciliteiten, personeel en geld voor is om dat echt te kunnen."
Artikel over Huize Voorburg in Vught en het oudste psychiatrische ziekenhuis Reinier van Arkel (1442)in 's-Hertogenbosch.
ONZE NIEUWSTE ARTIKELEN
Op donderdag 12 februari wordt dit onderwerp als agendapunt in de Tweede Kamer behandeld.


