Bevrijdingsfeest
Op 7 mei was het feest
op de Dam in Amsterdam. Duizenden mensen hadden zich verzameld om
Canadese bevrijders te verwelkomen, die op die dag verwacht werden.
Muziek klonk uit 'Draaiorgel Het Snotneusje' en mensen dansten in het rond. De stad was echter nog vol met gewapende Duitse militairen en milities van de Binnenlandse Strijdkrachten.
De Duitsers hadden op 4 mei met de geallieerden
een wapenstilstand gesloten, waarin onder meer was vastgelegd dat
(alleen) de geallieerden de Duitsers in West-Nederland zouden
ontwapenen. Aan de Binnenlandse Strijdkrachten, onder leiding van prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld, was daarom door de geallieerden opgedragen om geen Duitsers te ontwapenen en zich niet gewapend op straat te vertonen.
De schietpartij
De vreugde op de Dam veranderde in paniek toen er op de mensenmassa werd geschoten vanuit De Groote Club naast het koninklijk paleis. Rond 15.00 uur schoten Duitse militairen van de Kriegsmarine
op de menigte. Er ontstond paniek en de burgers vluchtten alle kanten
op. Velen probeerden zichzelf in veiligheid te brengen door naar het Damrak en de aanliggende straten te rennen.
Een aantal mensen zocht dekking achter lantaarnpalen, een tweetal
kleine kiosken en het draaiorgeltje. Er vielen volgens lang gehanteerde
cijfers tweeëntwintig doden, gebaseerd op toenmalige krantenartikelen
waarbij dit aantal het vaakst werd genoemd. De aantallen in de
krantenartikelen varieerden echter tussen negentien en - één keer -
veertig slachtoffers, maar volgens in 2013 aan het licht gekomen feiten
zijn het er zeker 32. Het kunnen er meer zijn, maar van enkele doden is
dat niet duidelijk. Ook het aantal gewonden is niet exact bekend.
Krantenartikelen hadden het over 100 tot 120 gewonden. De slachtoffers werden door kogels geraakt of onder de voet gelopen. De schietpartij duurde zo'n twee uur.
Volgens de voordracht voor de Militaire Willems-Orde heeft de Nederlandse majoor Carel Frederik Overhoff die Gewestelijk Commandant van het strijdend gedeelte der Binnenlandse Strijdkrachten,
Gewest 10, te Amsterdam was, met gevaar voor eigen leven tijdens de
schietpartij ingegrepen. Hij heeft, zo staat in de voordracht, "met
gevaar voor eigen leven, op een motor met zijspan gezeten, alleen
vergezeld door een Duitse officier en een wachtmeester der Koninklijke Marechaussee,
als bestuurder, door zijn persoonlijk krachtig en kordaat optreden en
door zich moedig tussen de vurenden te begeven, waarbij de bestuurder
van het motorrijwiel vlak voor hem dodelijk werd getroffen, het vuren
door beide partijen doen staken en de orde hersteld, door welk moedig en
beleidvol optreden Amsterdam gespaard bleef voor een noodlottiger
omvang of verscherping van dit incident, dat aan de burgerij reeds een
aantal van ongeveer twintig doden en honderd en twintig gewonden had
gekost".
Volgens een andere bron, een artikel in Vrij Nederland van 28 maart 1981,
heeft een van oorsprong Oostenrijkse immigrant, de embryoloog dr.
H.A.L. Trampusch, voordat Overhoff was gearriveerd al het schieten weten
te beëindigen. Trampusch zou de commandant in De Groote Club aan de
telefoon hebben gekregen en deze gedreigd hebben met de krijgsraad als
het schieten niet ophield.
Volgens journalist Auke Kok hebben de Duitse commandant en de
commandant van de BS gezamenlijk de schietende partijen tot kalmte
kunnen brengen.
Tegelijkertijd of kort na deze schietpartij op de Dam vond er ook een schietpartij plaats bij het Victoria Hotel op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade.
Schutters hier waren in het hotel gelegerde leden van de SS. Aan het
Victoria Hotel (zijde Prins Hendrikkade) is ter herinnering een
gedenkplaat opgehangen. Ook aan deze schietpartij wist Overhoff een eind
te maken. Uit de gedenkplaat is af te leiden dat de wachtmeester van de
Koninklijke Marechaussee hier sneuvelde.
Motieven schutters
Er
zijn verschillende theorieën waarom de Duitse militairen begonnen te
schieten. Er wordt bijvoorbeeld beweerd dat een Duitse soldaat zich
verzette, omdat een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) hem wilde ontwapenen.
Dit was tegen de orders van de geallieerden, die de BS hadden
opgedragen om afzijdig te blijven. De geallieerden zouden zelf de Duitse
bezettingsmacht ontwapenen.
Een andere bron sluit daar in redelijke mate bij aan. Het feest werd gadegeslagen door een aantal Duitse zeemiliciens op het dak van De Groote Club. Er zouden op een zeker moment twee Duitse militairen op de hoek van de Paleisstraat en de Spuistraat
door leden van de BS zijn aangehouden. Hen werd gesommeerd om hun
wapens over te dragen, waarop een van hen weigerde. Hij werd
doodgeschoten, waarna de Duitsers in De Groote Club begonnen te schieten
in de richting van deze BS'ers.
Vanaf het Rokin en de Nieuwendijk
begonnen andere leden van de BS vervolgens te schieten op de Duitsers,
waarna deze met allerhande wapens terugschoten. De menigte op de Dam
vluchtte in paniek uiteen, waarbij een aantal van hen in het schootsveld
terechtkwam of onder de voet werd gelopen.
Er is ook een verhaal over gefrustreerde dronken soldaten. Ze
zouden hun verlies niet hebben kunnen dragen of woedend zijn geweest
vanwege de eerder genoemde arrestatie. Dit verhaal werd in 2014 weggezet
als een mythe. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat ze handelden
uit wraakgevoelens vanwege het kaalknippen van zogenaamde 'moffenhoeren' dan wel uit vrees dat ze zelf zouden worden gelyncht.
Er is indertijd geen onderzoek gedaan naar de oorzaak, waardoor het onduidelijk is hoe de schietpartij precies is ontstaan.
Erfenis
Monumenten
Op 7 mei 1947 en 7 mei 2016 werden door Amsterdamse burgemeesters een monument
onthuld ter nagedachtenis aan de slachtoffers. In 1947 betrof het een
plaquette; in 2016 straatstenen met namen van slachtoffers.
Draaiorgel als symbool
Draaiorgel Het Snotneusje,
waar mensen zich achter verscholen, is een symbool van de schietpartij
geworden. Tijdens 75 jaar Bevrijdingsdag in 2020 werd het draaiorgel
gerestaureerd en werd er, ter nagedachtenis aan de schietpartij, op De
Dam weer mee gespeeld.