Oud-rechercheur Klaas Langendoen (IRT) over de risico's van werken met een criminele infiltrant: 'Nooit meer doen'
Rechercheur Klaas Langendoen werd vervolgd:
Geschreven door Jan Kuys │ Donderdag 11 juli 2013
Het
kan verkeren.
Twintig jaar geleden traden ministers af, raakten
korpschefs van politie hun baan kwijt en werden uitvoerende
politiemensen publiekelijk ter verantwoording geroepen voor het inzetten
van een criminele burgerinfiltrant tijdens de zogenoemde IRT-affaire.
Twee decennia later noemt minister-president Rutte het inzetten van een
criminele burgerinfiltrant 'van nationaal belang'.
,,Het
heeft mij mijn kop gekost,'' zegt oud CID-chef Klaas Langendoen van het
IRT (Interregionaal Recherche Team. Dat team, bestaande uit
opsporingsambtenaren van politie en justitie uit Utrecht en Haarlem, is
in de jaren tachtig in het leven geroepen, omdat hun collega's uit
Amsterdam geen greep kregen op de zware georganiseerde criminaliteit van
Bruinsma en co.
Het
speciale nieuwe team moest belastende informatie vergaren. Dat deed het
onder meer door het inzetten van een criminele infiltrant. Onder
toezicht van het IRT importeerde die infiltrant grote partijen drugs.
Door het spoor van de drugs te volgen hoopte het IRT voldoende
informatie te krijgen om de bende van Bruinsma te kunnen oprollen. Een
opsporingsmethode, die volgens Langendoen op dat moment overal en door
iedereen werd toegepast.
Banvloek
De
Amsterdammers beschouwden het oprichten van het IRT als een brevet van
onvermogen voor hun eigen opsporingskwaliteiten. Zij kregen het gevoel
hun werk niet goed te hebben gedaan en stelden het doorlaten van
partijen drugs als opsporingsmethode publiekelijk aan de kaak. Toen
waren de rapen gaar. Er kwam een parlementaire onderzoekscommissie onder
leiding van Maarten van Traa, die een banvloek uitsprak over het
inzetten van de infiltrant en het doorlaten van drugs.
De
ministers Van Tijn en Hirsch Ballin traden af, korpschefs van politie
en officieren van justitie werden overgeplaatst en de hoofdrolspelers,
de Haarlemse agenten Langendoen en Van Vondel van de Criminele
Inlichtingen Dienst (CID), moesten gedwongen de politiedienst verlaten.
Oorlog
Het
was, zo herinnert Langendoen zich, oorlog in opsporingsland. De kritiek
was ongenadig hard, waardoor betrokkenen soms niet alleen hun baan
kwijt raakten maar ook op het persoonlijk vlak door onder meer
echtscheidingen werden getroffen. Zelfs 20 jaar na dato voelen ze nog de
gevolgen van de publieke afrekening.
Langendoen
heeft inmiddels een eigen adviesbureau op het gebied, waarin hij
vroeger als politieman een kei was. In opdracht van advocaten en andere
belanghebbenden doet hij contra-onderzoeken als tegenwicht tegen al te
eenzijdige presentaties van politie of justitie. Het zit hem nog steeds
dwars, dat hij en zijn maat Van Vondel destijds de volle laag kregen,
terwijl allerlei hoog geplaatsten binnen justitie buiten schot bleven.
Wat
hem nog het meest verbaast is het pleidooi van het huidige kabinet voor
het 'in uitzonderingsgevallen en onder strikte voorwaarden' inzetten
van criminele burgerinfiltranten. 'Nooit meer doen', zegt Langendoen.
,,Een kabinet met daarin staatssecretaris Fred Teeven, destijds bij de
Fiod (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) de grootste doorlater
van drugs in Nederland, zou beter moeten weten.''
Kroongetuige
,,Nederland
is te klein om een infiltrant afdoende te kunnen beschermen. Neem de
kroongetuige-regeling. Dat is een en al ellende over afspraken die wel
of niet gemaakt zijn. Daar is in Nederland altijd discussie over en dus
kun je niet de bescherming bieden, die nodig is. Alleen Amerikanen
kunnen dat.''
Langendoen
illustreert dat aan de hand van de IRT-affaire. ,,Wij hadden afspraken
over geheimhouding en bescherming tot op ministerieel niveau. Toen het
spannend werd, heeft niemand het voor de uitvoerende mensen opgenomen.
Niemand! Dat liedje gaat zich herhalen, als je nu opnieuw de criminele
burgerinfiltrant invoert. Het inzetten van die infiltrant gaat of schade
toebrengen aan de crimineel of slachtoffers maken bij de begeleidende
politiemensen.''
De
door de wol geverfde ex-politieman vraagt zich af, waarom de politiek
nu ineens met de criminele infiltrant op de proppen komt. ,,Er is achter
de schermen blijkbaar veel kritiek op het openbaar ministerie,'' stelt
hij vast en memoreert het beruchte Liquidatieproces. ,,Waarom vraagt nu
eens niemand hoeveel dat heeft gekost en wat het heeft opgeleverd?''
Kwetsbaar
Tegenwoordig
is justitie de baas over opsporing, dat mede als gevolg van de
IRT-affaire strakker aan banden is gelegd. ,,Teveel mensen moeten nu de
identiteit van een infiltrant kennen, omdat iedere baas van een baas op
de hoogte moet zijn. Dat is een kwetsbaar systeem.'' Langendoen bespeurt
dat er veel minder dan voorheen met informanten wordt gewerkt.
,,Informatie is toch alles bij opsporing. Voor zover ik het nu kan
bekijken gebeurt het runnen van informanten op niveau nauwelijks meer.
Als je dat wel en goed doet, heb je in Nederland die criminele
infiltrant helemaal niet nodig.''
Hoewel
hijzelf twintig jaar geleden na zijn 'ontmaskering' als
'drugssmokkelaar' - waarvoor hij overigens niet is vervolgd door
justitie - nog riep dat de criminele burgerinfiltrant onmisbaar was in
de opsporing, is hij daarvan nu teruggekomen. ,,Je kunt de
verantwoordelijkheid voor het opsporen niet in handen van criminelen
leggen. Er zijn genoeg andere manieren, maar de politiek dient eerst
inzicht te hebben in hoe de opsporing functioneert. En zo'n
kroongetuige-regeling evalueren. Dan pas zie je wat haalbaar is en wat
niet.''
Een
criminele burgerinfiltrant hoort daar wat betreft Langendoen niet meer
bij. ,,Als ze dit weer gaan introduceren, waarom ben ik dan in godsnaam
mijn baan kwijtgeraakt?''
Bron: https://www.haarlemsdagblad.nl/cnt/dmf20180925_70484583