(https://nvj.nl/_assets/f/291561/x/06d5a30e24/global-charter-of-ethics-for-journalists-nld-opgemaakt.pdf)
Wereldwijd handvest voor ethiek in de journalistiek
Het
Wereldwijd handvest voor ethiek in de journalistiek van de
International Federation of Journalists (IFJ) werd op 12 juni 2019
bekrachtigd tijdens de 30e editie van het IFJ World Congress in Tunesië.
Dit
handvest completeert de Declaration of Principles on the Conduct of
Journalists (1954) van de IFJ, ook wel de Code van Bordeaux genoemd.
Het
handvest is gebaseerd op belangrijke internationale wetgevingsteksten
en de Universele verklaring van de rechten van de mens in het
bijzonder. Het omvat 16 artikelen en een preambule en definieert de beroepsethische rechten en plichten van journalisten.
Preambule
Het
recht van alle mensen op toegang tot informatie en ideeën, zoals
onderstreept in artikel 19 van de Universele verklaring van de rechten
van de mens, vormt de basis voor de missie van de journalist.
De verantwoordelijkheid van de journalist ten opzichte van het publiek komt voor
alle andere verantwoordelijkheden, en in het bijzonder voor enige
verantwoordelijkheden van de journalist ten opzichte van zijn of haar
werkgever en de overheid.
Journalistiek is een beroep waarvan de uitoefening tijd, inspanning en middelen vergt. Al deze aspecten zijn van cruciaal belang voor de onafhankelijkheid van het beroep.
Dit
wereldwijde handvest zet gedragsrichtlijnen voor journalisten uiteen
met betrekking tot het onderzoeken, redactioneel bewerken, overdragen,
verspreiden en becommentariëren van nieuws en informatie en het
beschrijven van gebeurtenissen ongeacht het medium.
1. Eerbied voor de feiten en voor het recht van het publiek op de waarheid is de eerste plicht van de journalist.
2.
De journalist zal tijdens de uitoefening van zijn of haar beroep te
allen tijde opkomen voor de vrijheid om op eerlijke wijze nieuws te
verzamelen en publiceren en het recht op het leveren van faire
commentaar en kritiek. De journalist zal een duidelijk onderscheid maken
tussen feitelijke informatie en commentaar en kritiek.
3.
De journalist baseert zijn of haar berichtgeving alleen op feiten
waarvan hij of zij de bron kent. De journalist zal wezenlijke informatie
niet achterhouden en geen documenten vervalsen. Hij of zij zal zorgen
voor een getrouwe weergave van verklaringen en andere content die
niet-publieke personen op sociale media publiceren.
4.
De journalist zal louter gebruikmaken van eerlijke methoden voor het
verkrijgen van informatie, beeldmateriaal, documenten en data en maakt
zijn of haar identiteit als journalist bekend. Hij of zij zal afzien van
het gebruik van verborgen camera's of microfoons, tenzij er sprake is
van een situatie waarin het voor hem of haar onmogelijk is om op een
andere manier informatie te verzamelen die ontegenzeggelijk in het
maatschappelijk belang is. De journalist zal vrije toegang tot alle
bronnen van informatie eisen en het recht opeisen om alle feiten die het
maatschappelijke belang dienen vrijelijk te onderzoeken.
5.
De journalist zal de urgentie of directheid van de verspreiding van
informatie geen hogere prioriteit toekennen dan het verifiëren van
feiten en bronnen en het toepassen van hoor en wederhoor. 6. De
journalist zal alles in het werk stellen om fouten en onjuistheden in
gepubliceerde informatie tijdig, volledig en op transparante wijze te
rectificeren.
7. De journalist zal het beroepsgeheim in acht nemen ten aanzien van de bron van in vertrouwen verkregen informatie.
8.
De journalist zal de privacy van mensen respecteren. Hij of zij zal de
waardigheid respecteren van de personen die worden genoemd en/of
vertegenwoordigd en geïnterviewden laten weten of het vraaggesprek en
ander materiaal voor publicatie zijn bestemd. De journalist zal in het
bijzonder omzichtig omgaan met onervaren en kwetsbare geïnterviewden.
9.
De journalist ziet erop toe dat de door media verspreide informatie en
meningen niet bijdragen aan haat of vooroordelen. De journalist zal al
het mogelijke doen om discriminatie te voorkomen, op basis van
geografische, sociale of etnische herkomst, ras, geslacht, seksuele
voorkeur, taal, godsdienst, lichamelijke beperkingen en politieke of
andere overtuigingen.
10.
De journalist zal als ernstige journalistieke vergrijpen beschouwen:
plagiaat, verdraaiing van feiten, smaad, laster, belediging en
ongefundeerde beschuldigingen.
11.
De journalist zal zich ervan weerhouden om op te treden als verlengstuk
van de politie of veiligheidsdiensten. Hij of zij is alleen verplicht
om informatie te verstrekken die reeds via enig medium openbaar is
gemaakt.
12.
De journalist zal solidair zijn met zijn of haar collega's, maar zonder
afstand te doen van het recht in alle vrijheid onderzoek te doen, van
informatieplicht, recht op het leveren van kritiek en commentaar, recht
op satire en redactionele vrijheid.
13.
De journalist zal zijn of haar persvrijheid niet gebruiken om
nevenbelangen te dienen en zal afzien van het verkrijgen van oneerlijk
voordeel of persoonlijk gewin door het verspreiden dan wel achterhouden
van informatie. De journalist zal alle situaties die kunnen leiden tot
belangenverstrengeling bij de uitoefening van zijn of haar beroep
vermijden of beëindigen. De journalist zal zich bewust zijn van het
belang enige verwarring tussen zijn of haar werk en reclame of
propaganda te voorkomen. Verder zal de journalist zich onthouden van
alle vormen van handel met voorkennis en marktmanipulatie.
14.
De journalist zal geen activiteiten ontplooien of relaties aanknopen
als de kans bestaat dat zijn of haar onafhankelijkheid daardoor in het
geding komt. De journalist zal de methoden van en voorwaarden voor het
verzamelen/verspreiden van informatie, die hij of zij vrijelijk heeft
geaccepteerd (zoals onofficiële gesprekken, anonimiteit of embargo's)
respecteren, mits deze toezeggingen duidelijk zijn en boven alle twijfel
zijn verheven.
15.
Iedere journalist die deze aanduiding waardig is, beschouwt het als
zijn of haar plicht bovenstaande beginselen oprecht in acht te nemen.
Journalisten mogen niet worden gedwongen om beroepsmatige activiteiten
te ontplooien of meningen te uiten die in strijd zijn met hun
persoonlijke overtuiging of geweten.
16.
De journalist zal binnen het kader van de wetgeving van elk land
handelen naar zijn of haar beroepseer en zich voegen naar de jurisdictie
van onafhankelijke openbare zelfreguleringsinstanties. Hij of zij
verwerpt elke tussenkomst van overheidsinstellingen of andere partijen.