Historie
Bodegraven werd al in de Romeinse tijd bewoond. Toentertijd lag het aan de Noordgrens van het Romeinse Rijk, de 'Limes'.
Aan de Romeinse kant van deze Limes waren er veel militaire en
handelsactiviteiten. De Romeinen legden er kampementen, havens en een
weg aan. De grens werd op min of meer regelmatige afstand versterkt met
grensforten (castella),
bemand door Romeinse legioenen en hulptroepen. Daarnaast waren er langs
de weg die naast de Limes liep op vele plekken nederzettingen ontstaan,
waaronder het huidige Bodegraven.
Romeinse ruiterhelm uit 175-225 n.Chr. Opgraving in een zandwinplaats aan de Oude Rijn in Bodegraven in 1937
Het bestaan van Romeins Bodegraven is aangetoond door verscheidene
bodemvondsten. In 1937 is bij een zandwinning tussen Nieuwerbrug en
Wierickerschans een Romeinse ruiterhelm aangetroffen. In 1995 werden op
de plek van de huidige Willemstraat, de restanten van een houten
poortgebouw en delen van een aarden verdedigingswal ontdekt. In 2000
vond men een vervloekingstabletje, een loden tabletje waarop de namen van 21 soldaten en een vervloeking waren gekerfd.
Daarna bleef het lange tijd stil rondom Bodegraven. Volgens de
overlevering zou op een inmiddels zoekgeraakte kaart uit 809 de
heerlijkheid Bodelo worden vermeld. Zeker is dat rond het jaar 1050 er
een kleine nederzetting was ontstaan, waarschijnlijk rond de huidige
Dorpskerk.
Twee eeuwen werd er getwist over het eigendomsrecht tussen de
bisschop van Utrecht en de graven van Holland, aan wie ze het stadje in
leen gegeven hadden. Geleidelijk werd echter de positie van Holland
sterker en die van het Sticht zwakker. Ten slotte kwam het bij het Graafschap Holland.
In de late middeleeuwen werd er rondom Bodegraven, dat in een
moerassig gebied lag, veel land ontgonnen. Deze ontginningen gebeurden
vanaf de hoger gelegen rivieroevers zoals de Oude Rijn, de Meije en de
Oude Bodegrave. Haaks op deze waterlopen werden kavelsloten gegraven, en
zo'n 1250 meter verder werd een zogenaamde achtersloot gegraven. Door
deze ontginningen ontstond de typische verkavelingsvorm. Na de bouw van
een sluis rond 1350 had Bodegraven voorgoed haar bestaansrecht verdiend.
In 1672 toen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog was verklaard door Engeland, Frankrijk, Keulen en Münster, lag Bodegraven vlak achter de Hollandse Waterlinie. Deze was geïnundeerd,
en vormde zo een barrière voor de oprukkende Franse troepen. Echter in
de winter bevroor het water en konden de Fransen via het ijs dat zich
over de ondergelopen polders had gevormd voorwaarts trekken. Zij rukten
op naar de Meije en verder naar Zwammerdam. Tussen Zwammerdam en Alphen
werden zij echter staande gehouden en uiteindelijk teruggedreven.
Inmiddels was het gaan dooien en was de enige vluchtweg via de dijk
langs de oude Rijn. Zij kwamen daardoor langs Bodegraven, dat met de
grond werd gelijkgemaakt. Na deze ramp werd ten oosten van het dorp de Wierickerschans gebouwd.
Tot 1870 floreerde Bodegraven weer. Er brak in dat jaar in een
bakkerij een brand uit, die een groot deel van het toenmalige stadje in
de as legde. Toen de branden achter de rug waren bleken er 130 gezinnen
dakloos te zijn geworden en meer dan 100 huizen afgebrand. Mede door een
landelijke collecte kon Bodegraven relatief snel weer worden opgebouwd.
In de 20e eeuw ging Bodegraven steeds verder uitbreiden. Rond de
eeuwwisseling werd de ruimte tussen de Rijn en de spoorlijn, die
inmiddels aan de zuidkant het dorp passeerde, volgebouwd. In het
Interbellum werd aan de noordkant van Bodegraven gebouwd en vanaf
halverwege de jaren 50 werd de strook tussen de spoorlijn en de
autosnelweg A12 opgevuld met huizen en bedrijven.