Als compensatie voor de verdediging van Jeruzalem tegen de inval van de Egyptische sultan Saladin (1183/1184) werd de zoon van Godfried III, Hendrik I, door keizer Frederik Barbarossa in het landgraafschap Brabant tot hertog verheven en was daarmee de stichter van het huis Brabant. Na Godfried III kwam de titel hertog van Neder-Lotharingen bij de hertogen van Brabant en had in feite geen betekenis meer. Vanaf 1430 onder Filips II behoort de titel toe aan de heerser over de Nederlanden, een personele unie (qua omvang ten tijde van keizer Karel V, zie foto), in aanvang, graafschappen, heerlijkheden en hertogdommen. De laatste hertog van Brabant was Frans I de eerste erfelijke keizer van Oostenrijk en was als Frans II de laatste gekozen keizer van het Heilige Roomse Rijk.
In artikel 75 van de Belgische Grondwet van 7 februari 1831 staat letterlijk het volgende geschreven:
- Hij heeft het recht brieven van adeldom te verlenen, zonder ooit enig voorrecht daaraan te mogen verbinden.
Het is niet de koning Leopold II en zijn opvolgende koningen Albert I, Leopold III, Boudewijn, Albert II en Filip die aan het door bovengenoemde zes liberale ministers op 16 december 1840 tot stand gebrachte Koninklijke Besluit (thans de politieke partijen: Open Vld, MR, Vivant, PFF, LDD) voorrecht hebben verbonden, maar het huis van Oranje-Nassau (en hun orangisme), omdat Marie Henriëtte van Oostenrijk, hertog van Brabant (1835-1865) koningin der Belgen (1865 -1909) een kleinkind was van haar grootmoeder Henriëtte van Nassau-Weilburg (1780-1857), de zesde en jongste dochter van vorst Karel Christiaan van Nassau-Weilburg en prinses Carolina van Oranje-Nassau, dochter van prins Willem IV van Oranje-Nassau en prinses Anna van Hannover.
Het graafschap Orange behoorde als enig deel van het oude koninkrijk Bourgondië sinds 1032 tot het Heilige Roomse Rijk, welke in 1163 door keizer Frederik Barbarossa in de rijksvorstenstand werd verheven. Een rijksvorst in het Heilige Roomse Rijk is een adellijke vorst, die zijn leen rechtstreeks van de Duitse koning had, die ook vaak de keizerstitel had. Het was dus een leenrechtelijke rijksonmiddelbaarheid, dat wil zeggen niet ondergeschikt aan een andere heer dan de keizer. Tijdens de Bourgondische tijd en onder de Habsburgse Nederlanden maakte het graafschap Vlaanderen deel uit van een personele unie van zelfstandige landsheerlijkheden.
René van Chalon (Breda, 5 februari 1519 – Saint-Dizier, 18 juli 1544), was vanaf 1530 prins van Oranje. graaf van Nassau en Vanden, heer van Breda en de Lek, heer van Corroy, Frasne en Chênemont. Als prins van Oranje was hij aan niemand onderdanig en in principe de gelijke van de Franse koning en de Duitse keizer. Hij was ook niet ondergeschikt aan de paus (en daarmee ook niet aan Jezus), dat waren slechts vazallen onder hem. Na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702 zou tot 1732 zowel het Huis Oranje-Nassau als het Huis Hohenzollern aanspraak op de titel maken. Volgens het Traktaat van Partage behielden beide Huizen echter het recht op de titel Prins van Oranje. Omdat koning-stadhouder Willem III na
zijn dood geen wettige opvolger had, stierf de Bredase tak van Willem
van Oranje uit en ging het huis Oranje-Nassau verder in de zogenaamde
Friese tak, het Huis Nassau-Dietz, de nazaten van Willems broer Jan VI van Nassau-Dillenburg. Sindsdien stammen de leden van de Oranjefamilie in de vrouwelijke lijn meerdere keren van Willem van Oranje af; hij is in die zin de stamvader van de huidige Oranjes.
Met het Koninklijk Besluit van 16 december 1840 waarbij koning Leopold II der Belgen, hertog van Brabant (1835-1865) is benoemd, heeft de Bourgondische tijd vanuit een personele unie het huis Brabant zich voortgezet en was koning Willem I der Nederlanden de erfopvolger van Frans I de eerste erfelijke keizer van Oostenrijk, die als Frans II de laatste gekozen keizer van het Heilige Roomse Rijk was. België was (en is nog steeds) vanaf dat moment (1840-heden) een vazalstaat met "marionettenregeringen", die afhankelijk is van de opvolgende Nederlandse koningen / koninginnen: Willem I (1815-1840), Willem II (1840-1849), Willem III (1849-1890), Wilhelmina (1890-1948), Juliana (1948-1980), Beatrix (1980-2013) en Willem-Alexander (2013-heden). zijnde een land dat grondwettelijk nooit heeft bestaan.
Op grond van dit door de hierboven genoemde zes liberale ministers op 16 december 1840 tot stand gebrachte Koninklijke Besluit (thans de politieke partijen: Open Vld, MR, Vivant, PFF, LDD) wordt vanaf 1840 de titel van graaf van Vlaanderen (dat sinds 1795 niet meer bestaat), gecombineerd met andere titels gedragen door:
- Filips van België, (1837 – 1905), Graaf van Vlaanderen had geen voorganger, Hertog van Saksen, Prins van Saksen-Coburg en Gotha (is derde zoon van koning Leopold I van België).
- Karel (VI), (1903 - 1983), Graaf van Vlaanderen had geen opvolger, Prins van Saksen-Coburg en Gotha (is tweede zoon van Koning Albert I).
In artikel 75 van de Belgische Grondwet van 7 februari 1831 staat letterlijk het volgende geschreven:
- Hij heeft het recht brieven van adeldom te verlenen, zonder ooit enig voorrecht daaraan te mogen verbinden.
Het is niet de koning Leopold II en zijn opvolgende koningen Albert I, Leopold III, Boudewijn, Albert II en Filip die aan het door bovengenoemde zes liberale ministers op 16 december 1840 tot stand gebrachte Koninklijke Besluit (thans de politieke partijen: Open Vld, MR, Vivant, PFF, LDD) voorrecht hebben verbonden, maar het huis van Oranje-Nassau (en hun orangisme), samen met het Hohenzollern. Na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702 zou tot 1732 zowel het Huis Oranje-Nassau als het Huis Hohenzollern aanspraak maken op de titel Prins van Oranje. Volgens het Traktaat van Partage behielden beide Huizen echter het recht op de titel Prins van Oranje. Omdat koning-stadhouder Willem III na
zijn dood geen wettige opvolger had, stierf de Bredase tak van Willem
van Oranje uit en ging het huis Oranje-Nassau verder in de zogenaamde
Friese tak, het Huis Nassau-Dietz, de nazaten van Willems broer Jan VI van Nassau-Dillenburg.
Met het door bovengenoemde zes liberale ministers op 16 december 1840 tot stand gebrachte Koninklijke Besluit (thans de politieke partijen: Open Vld, MR, Vivant, PFF, LDD) heeft de liberale Belgische regering-Lebeau weten te bewerkstelligen dat koning Frederik Willem IV van Pruisen en Prins van Oranje (Hohenzollern) hertog Frans I van Brabant hebben opgevolgd. Dezelfde Frans I was de eerste erfelijke keizer van Oostenrijk en als Frans II de laatste gekozen keizer van het Heilige Roomse Rijk. Dit betekent dat koning Frederik Willem IV van Pruisen en Prins van Oranje daarmee vanaf 16 december 1840 tevens de opvolgende keizer van het Heilige Roomse Rijk is geworden met onder zich koning Willem I der Nederlanden (met daaronder België als vazalstaat).
Met het Koninklijk Besluit van 16 december 1840 heeft de liberale Belgische regering-Lebeau (18 april 1840 – 13 april 1841), met daarin de volgende zes liberale ministers Joseph Lebeau, Charles Liedts, Mathieu Leclercq, Edouard Mercier, Gérard Buzen en Charles Rogier, daarmee weten te bewerkstelligen:
1. dat België vanaf 16 december 1840 - heden een vazalstaat met "marionettenregeringen" is, onder de opvolgende Nederlandse koningen/ koninginnen: Willem I (1815-1840), Willem II (1840-1849), Willem III (1849-1890), Wilhelmina (1890-1948), Juliana (1948-1980), Beatrix (1980-2013) en Willem-Alexander (2013-heden).
2. dat vanaf 16 december 1840 -heden vanuit vazalstaat België vanuit het vorstendom Orange de opvolgende keizers Frederik Willem IV (1840-1861), Wilhelm I (1861-1888), Frederik III (1888), Wilhelm II (1888-1941), Prins Bernhard (1941-1998) en Maurits van Vollenhoven (1998-heden) het Heilige Roomse Rijk hebben voortgezet, waarbij het grondgebied van het Heilige Roomse Rijk sinds de oprichting van de Verenigde Naties op 24 oktober 1945 zich heeft uitgebreid tot 193 wereldlanden (is nagenoeg de gehele wereld).