Geschiedenis Heukelum
Uit een document uit 996
valt op te maken dat een zekere Fretzhold zijn rechten op de kerk te
"Ukele", zoals Heukelum destijds werd genoemd, aan bisschop Ansfried van Utrecht schonk. Dankzij deze schenking is bekend dat Heukelum in dat jaar een kerk
bezat. Hieruit wordt opgemaakt dat het dorp Heukelum (Ukele) reeds lang
hiervoor bekend is geweest. Een legende verhaalt hoe heer Jan II van Arkel Heukelum opnieuw opbouwde na plundering door de Vikingen.
Hij zou door achter een zwaan aan te varen naar de juiste plek zijn
geleid. Het jaar 1230 wordt genoemd als jaar waarin de ommuring van
Heukelum een feit werd.
Vele rampen teisterden het stadje, waaronder overstromingen en in 1772 een stadsbrand, waardoor 36 van de ongeveer 100 houten huizen verloren gingen.
Bij de instelling van de gemeentes op 1 januari 1812 werd
Heukelum een zelfstandige gemeente. Bij het herstel van de provincies
kwam de gemeente bij Zuid-Holland.
Bij de dijkdoorbraak van de Linge op 26 januari 1820 kwam een mammoetschedel
uit de bodem tevoorschijn. De boer die de schedel vond, stelde hem
aanvankelijk op kermissen tentoon. Na vier jaar verkocht hij de schedel
op een veiling en de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen wist de schedel aan te kopen. In 1885 werd de schedel gegeven aan het Teylers Museum in Haarlem.
In 1820 werd het grootste, maar dunbevolkte deel van Heukelum ten
zuiden van de Nieuwe Zuiderlingedijk - waaronder de buurtschap Leuven - bij de Gelderse gemeente Vuren gevoegd.
Op 1 september 1855 werd de gemeente Spijk bij Heukelum gevoegd. Op 1 januari 1986 kwam er een eind aan de zelfstandigheid en werd het een deel van de Gelderse gemeente Vuren.
Gelijktijdig ging Heukelum dus deel uitmaken van de provincie
Gelderland. De naam van deze gemeente werd per 3 januari 1987 omgezet in
Lingewaal. Op 1 januari 2019 werd Lingewaal met Heukelum deel van de gemeente West Betuwe.