Hond
Bij
de hond
komt de afwijking incidenteel voor bij overwegend tot compleet witte
dieren. Hier treden de volgende kenmerken op: één of twee ogen waarvan
de iris gedeeltelijk een pigmentlaag mist waardoor ze blauw zijn en/of
unilaterale of bilaterale doofheid of slechthorendheid. Fokkers van
rashonden die overwegend wit zijn, bijvoorbeeld de Dalmatiër, beperken
de incidentie door mogelijke fokdieren met een BAER-test te screenen op
doofheid. Ook bij rassen waar compleet of grotendeels gekleurde dieren
voorkomen, zoals de Jackrussellterriër, wordt de BAER-test gebruikt en
daarnaast vermijdt men kruisingen tussen overwegend witte exemplaren.
Kat
Bij de
kat komt de afwijking enkel incidenteel voor bij compleet witte dieren.
Hier treden de volgende kenmerken op: één of geheel of gedeeltelijk
blauwe ogen en/of unilaterale of bilaterale doofheid.
Fokkers van kattenrassen waar compleet wit (dominant gen W waarvan dit
een van de epigenetische bij-effecten kan zijn incidenteel) voorkomt
testen hun witte fokdieren via de BAER test en kruisen deze niet met
andere witte exemplaren.
Paard
Ook bij paardenrassen met vrij veel wit in de vacht, bijvoorbeeld pinto's, komt het syndroom incidenteel voor.
(bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Syndroom_van_Waardenburg)