De vrijmetselarij in Nederland omvat een groot aantal obediënties ofwel koepelorganisaties van vrijmetselaarsloges. De oudste en grootste is de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden die anno 2025 ongeveer 5500 leden heeft. De Orde respecteert de Oude Landmerken der vrijmetselarij en arbeidt ter ere van de Opperbouwmeester van het Heelal, hiermee behoort zij tot de reguliere vrijmetselarij. Zij wordt als zodanig erkend door de United Grand Lodge of England (U.G.L.E.)[1] en andere reguliere obediënties.
Daarnaast zijn er nog verschillende kleinere obediënties.
Er zijn obediënties die alleen toegankelijk zijn voor mannen, voor
vrouwen en gemengde obediënties.
De basis wordt gevormd door die obediënties waar de basisgraden - ook wel de symbolieke of 'blauwe' graden genoemd - van leerling, gezel en meester worden verleend. Daarnaast zijn er diverse obediënties voor de vervolgpaden of hogere graden, waarin aspecten van de drie basisgraden verder worden uitgewerkt[2]. De vervolgpaden - ook wel voortgezette werkwijzen genaamd - kennen daarbij hun eigen inwijdingen en gradenstelsel.
Ten slotte zijn er ook een aantal aan de vrijmetselarij verwante organisaties in Nederland, waaronder enkele para-maçonnieke; dit zijn organisaties die overeenkomsten vertonen met de vrijmetselarij maar er geen deel van uitmaken.
Beknopte geschiedenis
Zie Geschiedenis van de vrijmetselarij in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerpDe eerste activiteiten op gebied van de vrijmetselarij in Nederland vonden plaats ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, in 1720-21 kwamen Britse vrijmetselaars bij elkaar in Rotterdam. De eerste loge werd opgericht in 1734 in Den Haag, met de naam Loge du Grand-Maître des Provinces Unies et du Ressort de la Généralité. Hieruit ontstond later de loge L'Union Royale,
die nog steeds bestaat en daarmee de oudste vrijmetselaarsloge van
Nederland is. Geleidelijk werden meer loges opgericht en op 26 december 1756 vormden een tiental loges de 'Groote Loge der Zeven Verenigde Nederlanden', een voorloper van de huidige Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.
Met name onder Carel baron van Boetzelaar, grootmeester
van 1759 tot 1798 ontwikkelde de vrijmetselarij in Nederland zich
gestaag. Onder zijn leiding groeide de Grootloge zich van een twintigtal
tot ruim zeventig loges en het aantal leden van de orde
vertienvoudigde. Het gezag van de Grootloge breidde zich uit naar de Antillen, Suriname, Bengalen en Ceylon, Oost-Indië en Zuid-Afrika. Tevens vond onder zijn grootmeesterschap in 1770 de erkenning plaats van de Nederlandse Grootloge door de Engelse Grootloge. In deze periode ontwikkelde de toepassing van de hogere graden van de Franse Ritus zich ook steeds verder, wat leidde tot de oprichting van de Orde der Hoge Graden in 1803.
Gedurende de Franse Tijd (1794 - 1814) onder de heerschappij van Napoleon trachtte het Grand Orient de France
(opgericht 1773) de Nederlandse loges in te lijven, iets waartegen de
Nederlandse Grootloge zich succesvol verzette. Desondanks werden in
Nederland enkele loges onder Frans gezag opgericht. De Nederlandse
Grootloge werd in 1798 omgedoopt tot Grootoosten der Bataafse Republiek, en in 1807 in Grootoosten van de Vrijmetselaren in Holland en onderhorige landen.
Na de Franse Tijd ontstond in 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, waarbij de zoon van stadhouder Willem V werd geïnstalleerd als koning Willem I. De tweede zoon van Willem I, prins Frederik,
was gedurende 65 jaar (1816 - 1881) grootmeester van de Orde van
Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. Onder zijn leiding
kwam de vrijmetselarij in Nederland tot grote bloei. In 1818 richtte
hij de Afdeling van de Meestergraad op, als tegenhanger van de toentertijd meer christelijk georiënteerde Orde der Hoge Graden.
Na de overgang van de 19e naar de 20e eeuw werd de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus steeds populairder binnen de Nederlandse vrijmetselarij en in 1912 werd de Opperraad van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus in Nederland opgericht. Ook werden de eerste gemengde loges voor zowel mannen als vrouwen opgericht en in 1919 werd de Nederlandse Federatie Le Droit Humain geconstitueerd, een gemengde obediëntie.
De Tweede Wereldoorlog vormde een zware tijd voor de Nederlandse vrijmetselarij: alle activiteiten werden verboden en grootmeester Hermannus van Tongeren kwam om in het concentratiekamp Sachsenhausen . Na de Bevrijding
werd de draad weer opgepakt, maar in 1961 verbraken de loges in
Zuid-Afrika die onder het gezag van het Grootoosten der Nederlanden
vielen de banden met Nederland. In 1949 werd voormalig Nederlands-Indie onafhankelijk in de vorm van de republiek Indonesië, wat er toe leidde dat de loges van het Grootoosten na twee eeuwen aanwezigheid aldaar in 1962 hun werkzaamheden moesten beëindigen.
Vanaf het midden van de 20e eeuw hebben verschillende Engelse obediënties hun plaats veroverd in het Nederlandse maçonnieke landschap, zoals de Orde van het Heilig Koninklijk Gewelf en de Orde van Merkmeesters.
In 1947 werd een eerste para-maçonnieke organisatie voor vrouwen opgericht, de Orde van Weefsters Vita Feminae Textura. In 2015 is de eerste obediëntie voor vrouwen opgericht, de Orde van Vrouwelijke Vrijmetselaren Nederland.
Basisgraden
Bij
de obediënties die in Nederland de basisgraden van leerling, gezel en
meester verlenen kan onderscheid gemaakt worden in zelfstandige
Nederlandse obediënties en buitenlandse obediënties met een
vertegenwoordiging in Nederland.
Nederlandse obediënties
In onderstaande tabel een opsomming van alle zelfstandige Nederlandse obediënties die de basisgraden verlenen, anno 2025.