1 ZITTING
De
strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare
zittingen van 28 oktober 2025 en 30 oktober 2025. Het onderzoek is
gesloten op 4 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officieren van justitie: mr. A. Dam en mr. I.M.F. Graumans (hierna gezamenlijk in het enkelvoud: de officier van justitie);
- de advocaten van de verdachte: mr. C.J. Knoops-Hamburger, mr. G.G.J.A. Knoops en mr. E. Dekker (hierna: de verdediging);
- de advocaat van de benadeelde partij: mr. J.P. Plasman.
2 TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de periode van september 2014 tot en met 15 januari 2015 in Nederland, met [aangeefster] , die toen nog geen zestien jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.
3 VOORVRAGEN
De
dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het
ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de
vervolging van de verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van
de vervolging.
4 VRIJSPRAAK
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De
officier van justitie vindt dat de beschuldiging wettig en overtuigend
bewezen kan worden, behalve het gedeelte dat de verdachte aangeefster
zijn geslachtsdeel zou hebben laten aanraken. Voor dit onderdeel wordt
partieel vrijspraak gevraagd.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de gehele beschuldiging moet worden vrijgesproken.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
1 Inleiding
Deze
zaak heeft buitengewoon veel media-aandacht gehad. Dit heeft veel
impact gehad op het leven van de betrokkenen en hun naasten. En nog
steeds ondervinden de betrokkenen hier de gevolgen van. De
media-aandacht is ook door de rechtbank niet onopgemerkt gebleven. Er
zijn analyses over de zaak gemaakt en er is gespeculeerd over de
mogelijke uitkomst, allemaal op basis van fragmenten uit het dossier.
Daarnaast roepen bepaalde onderdelen van het dossier veel vragen op in
de maatschappij. Het is – op de zitting en buiten de zitting om – ook
veel gegaan over zaken die niet direct relevant zijn voor de
beschuldiging waar het in deze zaak om gaat. De rechtbank gaat niet op
alle opgeworpen vragen antwoord geven. Dat is niet de taak van de
rechtbank. De rechtbank zal in dit vonnis alleen beoordelen of de
beschuldiging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat wil zeggen
dat zij beoordeelt of buiten redelijke twijfel is komen vast te staan
dat de verdachte van september 2014 tot en met 15 januari 2015 met
aangeefster de in de beschuldiging genoemde ontuchtige handelingen heeft
gepleegd. De rechtbank baseert haar oordeel uitsluitend op de relevante
onderdelen uit het dossier en wat er op de zitting is gezegd. De
rechtbank zal hierna uitleggen tot welk oordeel zij komt.
2 Betrokkenen en onderlinge verhoudingen
Voordat
de rechtbank inhoudelijk ingaat op het dossier, volgt eerst een korte
schets van de betrokkenen, hun onderlinge verhoudingen en de tijdlijn
tot de aangifte.
De
moeder van aangeefster (hierna: moeder) was ongeveer 20 jaar lang
werkzaam voor de verdachte, waarvan lange tijd als voorzitter van de
fanclub. Naast de werkrelatie ontstond een hechte vriendschap, en de
verdachte kwam daarom vaak bij aangeefster en moeder thuis. De verdachte
werd onderdeel van de vriendengroep van moeder. De verdachte kende
aangeefster vanaf haar geboorte en kreeg een hechte band met haar. Hij
was volgens sommigen na het overlijden van haar vader een soort
vaderfiguur voor haar. De verdachte ondersteunde het gezin van
aangeefster waar mogelijk, ook financieel. Aangeefster ging vaak met
moeder mee naar optredens van de verdachte. De vergaderingen van de
fanclub vonden bij hen thuis plaats en aangeefster was op die momenten
regelmatig thuis aanwezig.
Vanaf
het najaar 2018 stond de werkrelatie tussen moeder en de verdachte
onder druk. Moeder was niet meer in staat haar werkzaamheden te
verrichten en is uitgevallen met een burn-out. Moeder heeft verteld dat
ze in juni 2019 een dagboek van aangeefster uit 2015 heeft gevonden,
waarin staat dat de verdachte aan haar heeft gezeten. Op 4 juli 2019
hebben moeder en de verdachte een gesprek gehad – dat door moeder is
opgenomen – en daarin wordt gesproken over het beëindigen van de
werkrelatie en wordt de verdachte door moeder geconfronteerd met het
dagboek van aangeefster. Op 6 oktober 2019 heeft moeder een informatief
gesprek met de politie, maar noemt ze de naam van de verdachte nog niet
en wordt er geen aangifte gedaan. Op 13 december 2021 doet aangeefster
aangifte.
3 Bewijs in zedenzaken
Als
de verdachte in een zedenzaak ontkent, is er vaak niet veel bewijs. Er
zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die het verhaal van het vermeende
slachtoffer of het verhaal van de verdachte kunnen bevestigen. Vaak
draait de beschuldiging om handelingen waarbij alleen het vermeende
slachtoffer en de verdachte aanwezig waren. De verklaring van het
vermeende slachtoffer staat in zo'n geval tegenover die van de
verdachte, net als in deze zaak. Bij de beoordeling van het bewijs in
dat soort zaken moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring
van het vermeende slachtoffer beoordelen, bekijken of er ander bewijs in
het dossier zit dat die verklaring ondersteunt (daarover hieronder
meer), en beoordelen of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn.
Met
betrekking tot de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is
voor de beschuldiging, geldt het volgende. Volgens de wet kan een
beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in
dit geval de verklaring van alleen de aangeefster)2 worden bewezen. Ook
niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling
staat in de wet om er voor te zorgen dat een deugdelijke
bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet altijd ander bewijs
(steunbewijs) in het dossier zitten. Of sprake is van voldoende
steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens
de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo
uitgelegd worden dat vereist is dat de handelingen die op de
beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander
bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van
aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere
bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een
andere bron dan de aangeefster. Het kunnen daarom geen bewijsmiddelen
zijn die bestaan uit 'de auditu'-verklaringen ('van horen zeggen').
Bijvoorbeeld een getuige die verklaart dat hij de aangeefster iets heeft
horen zeggen of dat de aangeefster iets aan de getuige heeft verteld.
Een dergelijke 'de auditu'- verklaring is onder omstandigheden wel aan
te merken als onderbouwing voor de betrouwbaarheid van de verklaring van
de aangeefster, maar het is geen steunbewijs zoals de wet bedoelt. Voor
steunbewijs geldt ook, dat het op een voor de beschuldiging relevante
wijze in verband moet staan met de verklaring van aangeefster. Van
steunbewijs kan wel sprake zijn als de getuigenverklaring een
zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen
waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele
of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare
feit plaatsvindt, of (vlak) daarna.
Het
bewijsminimum mag (dus) niet worden verward met een oordeel over de
betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Dat staat hier los
van. Het oordeel over de betrouwbaarheid zegt alleen iets over het
waarheidsgehalte van die verklaring zelf, terwijl er ook steunbewijs
moet zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
4 Wanneer is sprake van ontucht?
In
zedenzaken is het belangrijk om te beoordelen of de verweten
handelingen ontuchtig zijn. Ontuchtige handelingen zijn handelingen van
seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of een
bepaalde handeling een handeling van seksuele aard is en of deze kan
worden aangemerkt als ontuchtig, hangt af van de omstandigheden van het
geval. Daarbij is onder meer relevant de aard van de handeling en de
context waarin en omstandigheden waaronder die handeling wordt verricht.
Daarbij kunnen ook de leeftijd van betrokkenen, eventuele interactie
tussen hen en onder omstandigheden ook hun intenties een rol spelen.
Voor een bewezenverklaring van het plegen van ontuchtige handelingen
moet verder komen vast te staan dat het opzet van de verdachte mede het
ontuchtig karakter van de handelingen omvat. Met andere woorden: een
verdachte moet bewust iets gedaan hebben waarvan hij weet (of moet
weten) dat het ontucht is.
5 De aangifte
Aangeefster
heeft op 13 december 2021 aangifte gedaan tegen de verdachte. Zij heeft
verklaard dat de verdachte zowel op als onder haar kleding haar benen,
billen, borsten, tepels, vagina en schaamlippen heeft betast. Ook volgt
uit haar verklaring dat de verdachte haar zijn geslachtsdeel heeft laten
betasten. De rechtbank moet beoordelen of de verklaring van aangeefster
als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt om als uitgangspunt te
kunnen dienen.
Bij
het beoordelen van de betrouwbaarheid van de aangifte wordt gekeken of
de aangifte (onder meer) concreet, gedetailleerd, authentiek en
consistent is. De rechtbank wil daar allereerst over opmerken dat dit
niet betekent dat iemand die aangifte doet van een zedenmisdrijf steeds
heel concreet, gedetailleerd en volledig consistent daarover dient te
verklaren. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen
(tijdsverloop, leeftijd, impact van de gebeurtenissen, werking van het
geheugen, de druk van een verhoor of het doen van aangifte) die kunnen
verklaren dat een verklaring op bepaalde punten niet heel concreet of
gedetailleerd is of niet altijd consistent is. De beoordeling vindt
steeds plaats in zijn geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de
specifieke zaak.
In
deze zaak stelt de rechtbank vast dat het veel is gegaan over de
totstandkoming van de aangifte en de mogelijke invloed van anderen op de
inhoud van de verklaring van aangeefster. De rechtbank kan niet
vaststellen hoe het precies gegaan is. De gesprekken die aangeefster
voorafgaand aan de aangifte heeft gevoerd over het doen van aangifte,
maken de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aangifte wel
lastiger. Aan de andere kant betekenen alle omstandigheden voorafgaand
en rondom het doen van aangifte ook niet direct dat wat er in de
aangifte staat onbetrouwbaar is.
Kijkend
naar de inhoud van de aangifte, dus wat de aangeefster precies heeft
verklaard over de verschillende handelingen die de verdachte zou hebben
verricht en waar en wanneer die zouden hebben plaatsgevonden, merkt de
rechtbank op dat de verklaring van aangeefster daarover niet steeds
concreet is. In deze aangifte is van meerdere handelingen die
aangeefster beschrijft niet duidelijk wanneer deze hebben
plaatsgevonden. Dat is van groot belang omdat de aangifte ziet op de
contacten met de verdachte tot kort voor 4 juli 2019 en de beschuldiging
alleen betrekking heeft op de periode voordat aangeefster zestien jaar
oud was (dus voor 15 januari 2015). Uit de aangifte wordt niet duidelijk
wanneer verdachte aangeefster onder haar kleding zou hebben aangeraakt.
Verder verklaart aangeefster dat zij 17 was toen zij het geslachtsdeel
van de verdachte zou hebben moeten aanraken. Dit valt buiten de periode
uit de beschuldiging.
De
rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat sprake is
van een aangifte waarbij verschillende kanttekeningen geplaatst kunnen
worden. Dat wil niet zeggen dat de rechtbank vindt dat de verklaring van
aangeefster onbetrouwbaar is, maar wel dat zij daar in deze zaak
behoedzaam mee omgaat. De rechtbank zal daarom op dit punt niet ingaan
op wat er verder is aangevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de
aangifte, maar zal eerst kijken of er voldoende steunbewijs is en of
dat steunbewijs van voldoende gewicht is.
6 Steunbewijs
De
rechtbank zal aan de hand van het steunbewijs dat door de officier van
justitie in het requisitoir is opgenomen beoordelen of voldaan is aan
het bewijsminimum.
6.1. Getuigenverklaringen
Naar
aanleiding van de verdenking zijn meerdere getuigen gehoord. Op verzoek
van de verdediging zijn ook nog zes personen gehoord, waaronder een
aantal personen die onderdeel waren van de vriendengroep/fanclub van de
verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaringen in
dit dossier niet kunnen worden gebruikt als steunbewijs. Geen van de
getuigen heeft ontuchtige handelingen van de verdachte gezien in de
periode waar de beschuldiging over gaat of iets anders verklaard dat in
deze zaak als steunbewijs zou kunnen dienen.
De
rechtbank merkt op dat door de getuigen uit de vriendengroep veel is
verklaard over de sfeer en seksuele moraal in het huis van moeder en
aangeefster en over de relatie tussen aangeefster en de verdachte. De
officier van justitie legt deze verklaringen belastend uit en vindt in
de verklaringen van de vriendengroep over de 'seksuele sfeer en context'
steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. De rechtbank kan deze
redenering niet volgen en is van oordeel dat de verklaringen van de
getuigen uit de vriendengroep, kijkend naar de gehele context van de
verklaringen, niet op deze manier als belastend kunnen worden uitgelegd
en geen steunbewijs opleveren.
De
officier van justitie heeft verder in het requisitoir ten aanzien van
het aanraken van de billen en benen van aangeefster een klein deel van
de verklaring van getuige [getuige 1] (onderdeel van de vriendengroep)
geciteerd. De officier van justitie is van mening dat deze verklaring
als steunbewijs kan dienen. De rechtbank is van oordeel dat het van
belang is dat de antwoorden van deze getuige in de context worden
geplaatst van hetgeen zij verder heeft verklaard. Kijkend naar de gehele
verklaring van deze getuige volgt daaruit juist dat zij geen
aanwijzingen had dat de verdachte dingen deed met aangeefster die niet
door de beugel konden. Zij zegt wel dat ze wel eens zag dat de verdachte
een hand op de billen had van aangeefster. Als dan gevraagd wordt hoe
dat eruit zag, legt ze uit dat aangeefster bij de verdachte op schoot
kroop en dat hij haar vastpakte. Het is volstrekt niet duidelijk wanneer
dit zou hebben plaatsgevonden, hoe lang de hand op de billen lag en of
dit vastpakken onderdeel was van het op schoot zitten of daar los van
stond. Bovendien is gelet op de uitleg die de getuige geeft en de
context van de hele verklaring, niet in te zien dat deze passage kan
dienen als steunbewijs.
De
officier van justitie citeert ook een klein deel van de verklaring van
getuige [getuige 2] , waaruit zou volgen dat aangeefster tegen hem heeft
gezegd dat "hij aan haar benen heeft gezeten en dat ze dat afkeurde".
Dit is geen waarneming van de getuige maar gaat over iets wat de
aangeefster tegen hem heeft gezegd, en is alleen al daarom geen
steunbewijs. Maar het gaat hierbij ook nog om een verklaring van de
aangeefster achteraf, na de bekendwording van het 'dagboek'.De officier
van justitie haalt verder de verklaring van getuige [getuige 3] (het
toenmalige vriendje van aangeefster) aan als steunbewijs. Deze getuige
heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte een keer zijn hand
hoog op het bovenbeen van aangeefster heeft gelegd. Aangeefster was 15
in de periode dat ze een relatie had met getuige [getuige 3] , dus dit
zou in de periode zijn waar de beschuldiging over gaat. Hij legt daarna
echter uit hoe de situatie was. Hij was met aangeefster televisie aan
het kijken en toen kwam de verdachte binnen. Die begroet aangeefster met
een dikke knuffel en een kus, neemt plaats op de bank en legt dan zijn
hand op haar bovenbeen. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring
weliswaar ondersteuning biedt voor de stelling dat een van de
handelingen in de beschuldiging door de verdachte is gepleegd, maar dat
het leggen van een hand op een bovenbeen in deze context op zichzelf
geen ontuchtige handeling is. Daarom is deze verklaring geen steunbewijs
voor de verklaring van aangeefster dat de verdachte bij haar ontuchtige
handelingen heeft gepleegd.
Ten
aanzien van steunbewijs voor de aanraking van de billen van aangeefster
benoemt de officier van justitie verder nog het 'spelletje' dat bij
aangeefster thuis werd gespeeld. Dit spelletje hield in dat de leden van
de vriendengroep, waaronder ook de verdachte, een tik moesten geven op
de billen van een persoon die staand voorover op tafel leunde. De
ex-vriendin van aangeefster heeft hier ook over verklaard. De verdachte
heeft dit niet weersproken. Aangeefster heeft ook verklaard dat dit een
spelletje was bij haar thuis en heeft daarbij nadrukkelijk aangegeven
dat haar aangifte niet over deze aanrakingen gaat. De rechtbank is van
oordeel dat dit handelen van de verdachte gelet op de beschreven context
niet als ontuchtig kan worden gekwalificeerd. Gelet op het voorgaande
kunnen de verklaringen van de getuigen voor zover die gaan over dit
slaan op de billen ook niet als steunbewijs dienen.
6.2. Tas-op-tafel-gesprek
De
rechtbank heeft kennis genomen van de transcripties van het gesprek dat
op 4 juli 2019 heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en moeder. Het
gesprek dat door moeder is opgenomen zonder dat de verdachte dat wist.
Op de zitting zijn ook fragmenten daarvan afgespeeld.
De
rechtbank merkt allereerst het volgende op. Als transcripties van een
in het geheim opgenomen gesprek als bewijsmiddel worden opgevoerd in een
strafzaak, dan moet er terughoudend worden omgegaan met de
interpretatie van wat er is gezegd, zolang dat niet ondubbelzinnig is.
Ook kunnen niet zomaar conclusies of interpretaties worden verbonden aan
de omstandigheid dat bepaalde dingen juist niet zijn gezegd. Het is van
belang om goed te kijken naar de context waarin het gesprek heeft
plaatsgevonden, hoe het gesprek is verlopen en wat de relatie is tussen
degenen die in gesprek zijn.
Naar
het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte in het gesprek op geen
enkel moment een ondubbelzinnige bekentenis afgelegd over de
beschuldiging. Als de verdachte voor de eerste keer in het gesprek – als
het gesprek al enige tijd duurt en over andere dingen is gegaan – door
moeder wordt geconfronteerd met de vondst van het dagboek en wat daarin
zou staan, dan is zijn eerste reactie: "ik denk dat een heleboel [dingen] genuanceerder ligt dan je nu zegt."
Dat is geen ondubbelzinnige bekentenis. Tijdens de rest van het gesprek
gaat het afwisselend over het beëindigen van de werkrelatie tussen
moeder en de verdachte en het dagboek, de relatie tussen aangeefster en
de verdachte en over ontuchtige handelingen, maar wat dat laatste
betreft niet heel concreet. Hoe de verdachte op die beschuldiging heeft
gereageerd, kan voor een buitenstaander wel vraagtekens oproepen, maar
naar het oordeel van de rechtbank kan uit geen enkele passage uit het
gesprek worden opgemaakt dat de verdachte bekent. Alle passages die de
officier van justitie als belastend heeft aangehaald kunnen op meerdere
manieren worden uitgelegd en bevatten geen bekentenis van de verdachte
met betrekking tot datgene waar hij in deze zaak specifiek van
beschuldigd wordt. Dat geldt ook voor de door de officier van justitie
in het requisitoir opgenomen passage "Ik heb haar gestreeld en het best kan dat dat ongepast was" – waarvan overigens de letterlijke uitwerking is "Nee,
maar dat is... dat... Nou, tussen haar benen aange... Ik heb haar
gestreeld, dat kan best zijn dat op... Dat dat, dat dat ongepast was".
Ook dat is naar het oordeel van de rechtbank geen ondubbelzinnige
bekentenis door de verdachte. Dat hij aangeeft dat iets mogelijk
ongepast kan zijn geweest (overigens is niet geheel duidelijk waar hij
op doelt), betekent iets heel anders dan dat er sprake is geweest
strafrechtelijk verwijtbare ontuchtige handelingen.
Vanwege
het ontbreken van een ondubbelzinnige bekentenis, gaat het dus om het
interpreteren van hoe bepaalde dingen gezegd zijn of waarom bepaalde
dingen niet gezegd zijn, steeds bezien in de gehele context. Voor de
beoordeling van de transcripties van het gesprek van 4 juli 2019, is
naar het oordeel van de rechtbank het volgende relevant. Het gaat om een
informeel gesprek van ruim vier uur tussen de moeder en de verdachte,
die elkaar al heel lang en goed kenden en die een hechte vriendschap
hadden. De verdachte had daarnaast een belangrijke rol in het gezin van
moeder en aangeefster, terwijl in dat gezin de nodige problemen speelden
bij aangeefster en ook bij de zoon van moeder. Daarnaast wilden moeder
en de verdachte op het moment van het gesprek de werkrelatie na bijna 20
jaar met elkaar beëindigen. Verder is relevant dat het gesprek eerst
gaat over het beëindigen van die werkrelatie en dat moeder de verdachte
pas na enige tijd confronteert met de vondst van het dagboek en wat daar
volgens moeder in staat. Ook gaat het om een gesprek uit 2019, terwijl
de vermeende ontuchtige handelingen waar het in deze strafzaak om gaat
van september 2014 tot medio januari 2015 zouden hebben plaatsgevonden.
In het gesprek gaat het over de periode tot 4 juli 2019 en dus ook over
de periode na 15 januari 2015 (bijvoorbeeld als het erover gaat dat
aangeefster een mooie jonge vrouw is geworden) en daardoor is ook niet
steeds duidelijk over welke periode moeder of de verdachte het hebben
als zij iets zeggen over de aangeefster, over de relatie tussen de
verdachte en aangeefster en over de situatie bij moeder en aangeefster
thuis.
Ten
slotte is voor de context ook relevant wat de verdachte over dit
gesprek te zeggen heeft, juist omdat de dingen die hij gezegd en niet
gezegd heeft, vraagtekens oproepen. De verdachte is daar uitgebreid over
gehoord bij de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting.
Volgens de verdachte heeft hij, vanwege zijn relatie met moeder en
aangeefster, hun geschiedenis en de situatie bij moeder en aangeefster
thuis steeds voorzichtig gereageerd. Voor hem was het lange tijd niet
duidelijk dat hij echt beschuldigd werd van ontucht, en hij was in de
veronderstelling dat aangeefster handelingen die in zijn ogen onschuldig
waren, anders had opgevat. Hij wilde naar eigen zeggen niet de relatie
op het spel zetten, maar hij wilde dingen oplossen. De rechtbank vindt
dat aannemelijk, gelet op de hiervoor geschetste relatie tussen
aangeefster en de verdachte, tussen moeder en de verdachte en de rol die
hij in het gezin speelde. Het blijkt naar het oordeel van de rechtbank
ook uit de antwoorden die de verdachte geeft en de manier waarop hij die
antwoorden geeft. Bijvoorbeeld als de verdachte aangeeft dat hij de
ontstane situatie wil oplossen met aangeefster, omdat hij in de
veronderstelling is dat aangeefster zijn aanrakingen anders heeft
opgevat dan dat hij ze heeft bedoeld. Gelet op al het voorgaande en de
terughoudendheid bij de interpretatie van dit soort gesprekken kunnen
naar het oordeel van de rechtbank de uitlatingen van de verdachte in het
gesprek van 4 juli 2019 niet worden geïnterpreteerd als een bekennende
verklaring van de verdachte van een of meer van de ontuchtige
handelingen waarvan hij beschuldigd wordt. Het gesprek kan in die zin
dus ook niet dienen als steunbewijs.
Verder
is door de officier van justitie nog genoemd dat de verdachte niet
'keihard' heeft ontkend, niet woedend is geworden en het gesprek niet
heeft beëindigd. De rechtbank merkt daarover allereerst op dat het niet
uitdrukkelijk ontkennen door de verdachte niet kan worden opgevat als
een bekentenis. Voor het interpreteren van het niet ontkennen door de
verdachte (het interpreteren van waarom de verdachte iets niet gezegd
heeft en waarom verdachte bepaalde dingen niet heeft gedaan) geldt –
mogelijk nog meer dan bij uitlatingen die een verdachte wel heeft gedaan
– dat daar (zeer) terughoudend mee moet worden omgegaan. Gelet op alles
wat hiervoor gezegd is over de context van het gesprek en de relatie
tussen de verdachte, moeder en aangeefster kan dit niet (ondubbelzinnig)
ontkennen, niet boos worden en het gesprek niet beëindigen, niet zo
geïnterpreteerd worden dat dit als steunbewijs kan dienen voor de
beschuldiging. Daar komt bij dat de verdachte in het gesprek, als de
moeder de woorden 'seksueel misbruik' noemt, meteen reageert met een
ontkenning: "ik heb haar niet seksueel misbruikt he".
De
rechtbank is van oordeel dat de verdachte tijdens dit gesprek geen
bekentenis heeft afgelegd. Het voorgaande maakt dat het
tas-op-tafel-gesprek niet als steunbewijs kan dienen.
6.3. Opgenomen gesprek tussen de verdachte en aangeefster
Nadat
moeder de verdachte op 4 juli 2019 had geconfronteerd met de teksten
uit het dagboek van aangeefster, heeft er op 4 december 2019 een
telefoongesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en aangeefster. Ook
dit gesprek is opgenomen zonder dat de verdachte hiervan op de hoogte
was. De officier van justitie vindt ook dat dit gesprek als steunbewijs
kan dienen omdat de verdachte de beschuldigingen niet 'keihard' ontkent
en erkent dat hij handtastelijk is geweest en het lichaam van
aangeefster op meerdere plaatsen heeft aangeraakt.
Met
betrekking tot de beoordeling van de transcriptie van dit gesprek geldt
hetzelfde als bij de beoordeling van het gesprek tussen de verdachte en
moeder (zie de overwegingen in de vorige paragraaf).
De
rechtbank is van oordeel dat de verdachte ook in dit gesprek nergens
ondubbelzinnig de ontuchtige handelingen uit de beschuldiging bekent.
Hij heeft het er weliswaar over dat hij aan de billen van aangeefster
heeft gezeten, maar uit het gesprek volgt dat dit gaat over het
'spelletje' van het slaan op de billen, waar de rechtbank al over heeft
overwogen (paragraaf 6.1) dat dit niet als ontuchtig kan worden
beschouwd, en bovendien is dit volgens aangeefster niet hetgeen waar de
beschuldiging over gaat. Verder geldt ook hier dat gelet op de context
en de terughoudendheid waarmee de uitlatingen van de verdachte moeten
worden geïnterpreteerd, geen enkele uitlating van de verdachte in dit
gesprek kan dienen als steunbewijs.
En
ook in dit gesprek geldt dat het niet ondubbelzinnig ontkennen door de
verdachte niet zo geïnterpreteerd kan worden dat dit als steunbewijs kan
dienen voor de beschuldiging. Daar komt voor dit gesprek nog bij dat de
verdachte in het begin van het gesprek wel degelijk bepaalde dingen
ontkent, maar dat zodra hij dit doet aangeefster dreigt het gesprek te
beëindigen, waardoor het niet onaannemelijk is dat hij later in het
gesprek voorzichtiger is geworden in zijn bewoordingen.
De rechtbank is van oordeel dat dit opgenomen gesprek daarom ook niet als steunbewijs kan dienen.
6.4. Whatsapp-gesprekken
In
het dossier zijn Whatsapp-gesprekken tussen de verdachte en aangeefster
opgenomen. Het gaat echter om gesprekken van na de periode van de
beschuldiging, namelijk van mei 2015 tot en met juli 2019. In deze
gesprekken kan geen bevestiging gelezen worden van ontuchtige
handelingen verricht door de verdachte tussen september 2014 en 15
januari 2015. De rechtbank oordeelt dan ook dat deze gesprekken niet als
steunbewijs gebruikt kunnen worden.
De
rechtbank hecht eraan om nog op te merken dat de officier van justitie
een uitspraak heeft aangehaald van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
waaruit zou volgen dat Whatsapp-gesprekken die na het tenlastegelegde
feit zijn verstuurd mee kunnen wegen bij het bewijs. De officier vergeet
daarbij de context van die zaak te noemen, die heel anders is dan in
deze zaak. In die zaak ging het om chatgesprekken tussen een verdachte
en een aangeefster vlak na het feit waarin verdachte expliciet zegt dat
hij er spijt van heeft, dat het niet had mogen gebeuren en dat hij niet
had nagedacht. Deze verschillen maken dat de aangehaalde uitspraak niet
relevant is voor deze zaak.
6.5. Waarneming emoties
Zoals
de rechtbank hiervoor heeft uitgelegd, kan een verklaring van een
getuige over waargenomen emoties of een gemoedstoestand bij een
slachtoffer na het delict als steunbewijs dienen. Er moet alleen wel
kunnen worden vastgesteld dat er een verband is tussen de emoties en het
feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Het tijdsverloop is
daarbij relevant. In veel zaken gaat het om waargenomen emoties direct
na het incident, waarbij het verband vaak duidelijk is (bijvoorbeeld dat
een slachtoffer vlak na een verkrachting hevig geëmotioneerd en huilend
wordt aangetroffen).
De
officier van justitie vindt dat de door moeder waargenomen emoties bij
aangeefster, toen zij haar in 2019 vertelde dat ze het dagboek had
gevonden, en de door de rechter-commissaris op 12 januari 2023
waargenomen emoties bij aangeefster na het verhoor als steunbewijs
kunnen dienen. De officier van justitie legt niet uit hoe hij tot deze
conclusie komt, en waarom deze emoties, ondanks het grote tijdsverloop
tussen de vermeende handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd en
de waargenomen emoties, als steunbewijs gebruikt kunnen worden.
Over
de emoties die moeder heeft waargenomen merkt de rechtbank allereerst
op dat het hier niet gaat om waargenomen emoties vlak na ontuchtige
handelingen, maar over emoties die 4 jaar later worden gezien. Van deze
waargenomen emoties kan dus niet zonder meer worden vastgesteld dat deze
een verband hebben met de beschuldiging. Dat is ook niet zonder meer
uit de summiere verklaring daarover van moeder af te leiden. Ook de
toenmalige vriendin van aangeefster kan niet bevestigen dat zij (hevige)
emoties heeft waargenomen bij aangeefster, terwijl moeder heeft
verklaard dat aangeefster zich door haar heeft laten troosten na het
gesprek. De rechtbank kan hierdoor onvoldoende vaststellen of het klopt
wat de moeder zegt over de waargenomen emoties en of deze emoties zien
op de in de beschuldiging genoemde handelingen, of ergens anders over
gingen.
Verder
is relevant dat geen enkele getuige, inclusief moeder,
gedragsverandering heeft gezien bij aangeefster ten opzichte van de
verdachte na de vermeende ontuchtige handelingen uit de beschuldiging.
De getuigen verklaren allemaal dat aangeefster altijd enthousiast was
als zij de verdachte zag en bijna altijd bij hem op schoot ging zitten.
Dit laatste wordt ook bevestigd door moeder. Aangeefster zocht ook zelf,
tot kort voordat moeder het dagboek vond, regelmatig contact met de
verdachte. Zo was zij bij zijn concerten in het voorjaar van 2019 en
zorgde ze ervoor dat zij een plaatsje vooraan het podium kreeg, en ging
ze daarna met haar vriendin, op eigen initiatief, op bezoek bij de
verdachte en zijn gezin. Dit betekent niet dat de rechtbank vindt dat
aangeefster hier iets te verwijten valt, maar het betekent wel dat de
summiere verklaring van moeder over de waargenomen emoties onvoldoende
bevestiging vindt om als steunbewijs te worden gebruikt. De verklaring
van moeder over de waargenomen emotie kan daarom niet als steunbewijs
worden gebruikt.
Over
de op 12 januari 2023 door de rechter-commissaris waargenomen emoties
bij aangeefster na het verhoor kan ook de vraag gesteld worden in
hoeverre deze waargenomen emoties – 8 jaar na dato– direct verband
houden met de in de beschuldiging genoemde handelingen. Gelet op dit
grote tijdsverloop kan dit niet zonder meer worden vastgesteld.
De
rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de waargenomen
emoties in de onderhavige zaak niet als steunbewijs kunnen dienen.
6.6. Het dagboek
In
het dossier is een aantal pagina's opgenomen van wat in deze zaak het
'dagboek van aangeefster' is gaan heten. Uit onderzoek is gebleken dat
het zeer veel waarschijnlijker is dat aangeefster degene is geweest die
in dit boekje heeft geschreven dan dat moeder dat heeft gedaan. De
officier van justitie vindt dat passages uit dit boekje gebruikt kunnen
worden als steunbewijs. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
Een
handgeschreven passage waarin ontuchtige handelingen worden beschreven
door een aangeefster is in beginsel geen steunbewijs, omdat het
afkomstig is uit dezelfde bron. De officier van justitie stelt dat uit
een uitspraak van de Hoge Raad in 2012 zou volgen dat een dagboek als
steunbewijs kan worden gebruikt. Die stelling berust op een verkeerde
lezing van die uitspraak. De Hoge Raad laat in deze uitspraak juist een
arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in stand, waarin het hof
weliswaar een dagboekaantekening gebruikt voor het bewijs, maar daarna
overweegt dat de dagboekaantekening en de verklaringen van het
slachtoffer worden ondersteund door andere verklaringen. Er was in die
zaak dus sprake van andere verklaringen die het steunbewijs opleverden
voor de verklaring van aangeefster en het dagboek.
Daar
komt bij dat er in deze zaak ook kanttekeningen zijn te plaatsen bij
wat het 'dagboek' is genoemd. Er wordt namelijk gesproken over een
dagboek, maar op de pagina waar de datum "18'06'2015" op is geschreven
wordt iets beschreven wat – volgens de tekst op dezelfde pagina –sinds
ongeveer vijf maanden speelt. Niet blijkt dat er op de betreffende dag
zelf iets is voorgevallen. Daarnaast hebben meerdere deskundigen
onderzoek gedaan naar het boekje. Uit deze onderzoeken blijkt dat niet
kan worden vastgesteld wanneer de passages daadwerkelijk zijn
opgeschreven. Daarbij zijn er op de hiervoor genoemde pagina met datum
18 juni 2015 stukken tekst doorgestreept net voor de tijdsaanduiding
'vijf maanden ofzo", die de indruk kunnen wekken dat de passage op een
andere datum is geschreven. De rechtbank stelt verder vast dat op basis
van de inhoud van de passages ook niet duidelijk kan worden afgeleid
waar en wanneer de handelingen die worden genoemd zouden zijn gepleegd.
Daarbij is de beschrijving van de vermeende ontuchtige handelingen zeer
algemeen.
De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het dagboek niet kan dienen als steunbewijs.
7 Conclusie
De rechtbank komt gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen tot de volgende conclusie over de beschuldiging.
Er
is onvoldoende bewijs voor de verklaring van aangeefster dat de
verdachte haar zou hebben betast onder haar kleding en dat hij over haar
kleding haar borsten, tepels, vagina en schaamlippen zou hebben betast.
Met betrekking tot het aanraken onder de kleding is de aangifte niet
concreet wanneer dat zou zijn geweest, maar het belangrijkste is dat het
dossier voor al deze handelingen geen steunbewijs bevat. Daarnaast is
er ook onvoldoende bewijs dat de verdachte zijn geslachtsdeel heeft
laten aanraken door aangeefster. Ten eerste verklaart de aangeefster in
haar aangifte dat dit pas zou zijn gebeurd toen zij 17 jaar was, en daar
gaat de beschuldiging niet over, maar er is ook hiervoor geen
steunbewijs in het dossier.
Wat
dan nog overblijft van de beschuldiging betreft het aanraken van de
benen en billen over de kleding. Die handelingen zijn echter niet als
ontuchtig aan te merken, zoals de rechtbank hiervoor heeft uitgelegd.De
rechtbank is daarom van oordeel dat de beschuldiging niet bewezen kan
worden en zal de verdachte vrijspreken.
5 BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart de beschuldiging niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit
vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. H. den Haan
en mr. N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S.
Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4
december 2025.
(bron en meer informatie: https://www.ad.nl/binnenland/rechtbank-spreekt-marco-borsato-vrij-lees-hier-de-volledige-uitspraak~aa58d648/)